00:00
00:00
00:01
Transcript
1/0
Onze hulp is in de naam van de
Heere die hemel en aarde geschapen heeft, die trouwen houdt in de
eeuwigheid en die niet klantvaren enig werk dat zijn hand begon. Amen. Genade zijn u en vrede
van hem die is en die was en die komen zal, en van de zeven
geesten die voor zijn troon zijn, en van Jezus Christus, die de
getrouwe getuige is, de eerstgeborene uit de doden, en de overste der
koningen der aarde. Amen. Kom laten we met elkaar gaan
zingen uit Psalm 100 vers 1 en 3. Psalm 100 vers 1. Aarde juicht alom. Den Heer dient
God met blijdschap. Geeft hem eer. Komt naar het
voor zijn aangezicht. Zingt hem een vrolijk lofgedicht.
En ook het derde. Gaat tot zijn poorten in met
lof. Met lofzang in zijn heilighoofd. Looft hem al daar met hart en
stem. Prijst zijn naam. Verheerlijkt hem. 100 vers 1
en 3. Schriftgelezen is vanavond uit
het Evangelie naar Marcus, daarvan het vijfde hoofdstuk. Marcus
5, vers 1 tot en met 20. Marcus 5, vers 1 tot en met 20. Vooraf doen wij beleidenis van
het geloof met de twaalf artikelen. Ik geloof in God de Vader, de
Allemachtige Schepper des hemels en der aarde. en in Jezus Christus
zijn enige geboren Zoon, onze Heer, die ontvangen is van een
Heilige Geest, geboren uit de Maag-Marie, die gelegen heeft
onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald
ter helen, ten derde dagen wederom opgestaan van de doden, Opgevaren
ten hemel, zittende de rechterhand God te z'n machtige vaders, van
waar hij komen zal ontoordelen de levenden en de doden, die
geloven in den Heiligen Geest. Ik geloof één heilige algemene
christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen, vergeving der zonden,
wederopstanding des vleesjes en een eeuwig leven. Amen. En ze kwamen over op de andere
zijde, de zee in het land van de Gaderenen. En als hij uit
het schip gegaan was, daar stond, ontmoeten hem, uit de graven,
een mens met een onrijne vuist. terwijl hij zijn woning in de
graven had en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen. Want hij was meinig maar met
boeien en ketenen gebonden geweest. en de keuken waren hem in stukken
getrokken en de boeien verbreidseld. Niemand was machtig om hem te
minnen, te temmen. En hij was altijd, nacht en dag,
op de bergen, in de graven, roepende en slaande zichzelf met stenen. Als nu Jezus van verre zag, liep
hij toe, en aanbidden. En met een grote stem roepen
zei hij, wat heb ik met u te doen? Jezus, gij zo de gods tezelf
roost. Ik bezweer u, o God, dat gij
mij niet pijn hecht. Want hij zei tot hem, gij onreine
geest, ga uit van de mens. En hij vroeg hem, Welke is uw naam? En hij antwoordde zeggende, Mijn
naam is Legio, want wij zijn velen. En hij baad hem zeer,
dat hij buiten het land niet wegzond. En al daar aan de bergen
was een grote kutte zwijnen waaide, en alle duivelen baadden hem
zeggende, Zend ons in de zwijnen, opdat wij dezelfde mogen varen. En Jezus liet de tenten stond
toe, en de onreinde geest uitgevaren zijn de voerende zwijnen, en
de kutten verstorten van de stuilte. Af in de zee, en er waren er
nu ongeveer twee duizend, en ze versmoorden in de zee, en
in de zwijnenwaarden zijn gevlucht, en boodschatten zulkes in de
stad en op het land, en ze hingen uit om te zien wat het was dat
er geschiet was. Laten we even kijken hoe het
is. En ze kwamen tot Jezus en zagen
de bezetenen, zittende en gekleed, en wel bij zijn verstand, namelijk,
die dit lege jongen gehad had. En ze werden bevreesd. En die het gezien hadden, vertelden
hun wat de bezetende geschiet was, en ook van de zwijnen. En zij begonnen hem te bidden, en dat hij van uw laanpallen
wegging. En als hij in het schip ging,
had hem de vreugde die bezeten was geweest, dat hij met hem
mocht zijn. Doch Jezus liet het dan niet
doen, maar zei tot hem, Ga heen naar uw huis tot de eeuwen. en
boodschappen wat grote dingen U den Heere gedaan heeft en hoe
Hij zich Uwe ontfermd heeft. En Hij ging heen en begon te
verkondigen in het land van de kapels wat grote dingen Jezem
gedaan had en zij verwonderden zich alle. Zoveel. Zoeken we samen het aanzicht
van de Heere gemeenschappelijk gebed. Ere gij grote ontvermer, mocht
wij aan de avond van deze dag nabren voor uw heilige majesteit,
om uw zegen te vragen, zo onverdiend, maar zo ook zo onmisbaar, want
ook vanavond zijn wij geroepen tot een geestelijke dienst, En
we zijn zo vleeslijk, een heilige dienst, een reine dienst. We zijn zo onheilig en zo onrein. En daarom is het altijd van ons
uit weer een onmogelijkheid. Vandaar, heren, moeten wij besef
van hebben en geef ons dat als wij tot u naderen, opdat wij
met ware afhankelijkheid Onze verlegenheid mogen neerwerpen
voor uw aangezicht, of Gij, Heere, met uw geest zou willen afdalen
onder dit dak, spreek slechts één woord, en onze ziel zou genezen
worden. Ja, Heere, help Gij dan, en ieder
van ons. dat Gij helpen in spreken en
in luisteren beide, dat Gij gedenken aan degene die wellicht meeluisteren
of naluisteren, dat Gij hen uw zegen niet onthouden, en dat
Gij zo heren maken, dat we ons mogen verwonderen over uw grote
daden. Ja, mogen we dat vanavond zien
in uw Woord. Geef ons in een omvankelijk hart
waar het van nature gesloten is. Al kunnen wij ons inbeelden
dat we misschien wel een geopend hart hebben. O Heer, gedenk ons,
en maak ons eerlijk voor uw heilig aangezicht, zodat ook onze eigen
ziel eerlijk gaat behandelen. Dan weet Gij hoe het voor ieder
van ons is als we hier zitten. Gij weet het ook als er misschien
zorgen werden meegenomen naar uw huis, verdriet, of misschien
wel rouw, ga weer alle dingen, heren. Schenk gij uw vertrosting,
naar het elk van node heeft. Wil ons alle gevangen nemen,
om de gehoorzaamheid van uw woord, en ons tot bekering leiden. En als wij genade mogen kennen,
heren, geef dat we dan ook, heren, ons moeten verwonderen. Ja, Heer,
we bidden voor de kerk, uw kerk, wereldwijd. Uw verdrukte kerk, die wordt
opgejaagd vanwege uw naam. Gedenk uw volk Israël. waar ook
zoveel pijlen naartoe gericht zijn. Dat gij de schellen van
de ogen afnemen, waar dat niet is gebeurd. En waar dat wel is
gebeurd, heren, dat gij daar getrouwheid geven, want ook van
Joodse christenen, blijkt dat zij het moeilijk hebben, wees
ook hen goed en nabij. Gedenk, heren, onze kerken, die
we aanduiden met reformatorisch en gereformeerd gezint. Waar
we zoveel afgeweken zijn van uw woorden van uw wet, wilt u
ons terugbrengen, en nog een opwekking uitwerken in onze kerken,
dat uw naam verheerlijk mogen worden. O Gere, gedenk zo, gedenk
al uw knechten, mogen we dat van u vragen, als we dan vanavond
bij elkaar zijn, of gij zelf uw woord wilt openen, Wij vragen
dat, heren, niet omdat wij iets verdienen, maar enkel uit genade
om Jezus' wil. Amen. tekst voor de prediking, het
geheel eigenlijk, dat Heer Jezus van een bezetene een saaier maakt. Van een bezetene een saaier maakt. We willen eerst met elkaar gaan
zingen, Psalm 119, vers 52. Hoe zoet zijn mij uw redenen
geweest, geen honing kon gehemelte beter smaken. En 53, uw woord
is mij een lam voor mijn voet, mijn patten licht om het donker
op te klaren ook." Het 84e vers. Mijn ziel bewaart uw trouw getuigenis,
dat heb ik lief, ook doe ik u bevelen. Uw woord kan mij opschonen. Ik
alles mis door zijn smaak en hart en zinnen strelen. Psalm 119, vers 52, 53 en 84. de de de de MUZIEK. Oh... MUZIEK. MUZIEK. Gemeten is op dezelfde dag dat
de Heer Jezus Die gelijkenis heeft verteld van de zaaier die
uitging om te zaaien. U leest dat aan het begin van
hoofdstuk 4. Zie, een zaaier ging uit om te
zaaien. Op diezelfde dag heeft er Jesuus
gesproken over die verschillende bodems of gronden waarop het
zaad valt. U weet het al. Hij heeft erover
gesproken dat het zaad van het woord, als dat gestrooid wordt,
dat het kan vallen naast de weg waar de vogels het oppikken. Waar het woord in het hart nauwelijks
enige beweging schijnt te veroorzaken. En dan heeft hij het gesproken
ook over dat zaad dat valt in steenachtige plaatsen maar het
niet veel aarde had. Het worden er wel snel en het
schoot wel op, maar als de zon komt, dan versgroeit het. Dat is dat tijdgeloof waarbij
als er verdruk in komt, dat tijdgeloof spoedig versgroeit tot niets
wordt. En dan spreekt hij ook over dat
zaad dat valt tussen de doornen en de distelen. Dat is dat Zaad dat valt tussen
die strengels in het hart, dat vol zit met allerlei zorgen en
bezigheden. Dat is de tijdgeloof van het
uitstellen, later, later zal ik mij bekeren. En zo spreekt de Heer Jezus over
ongeschikte grond. Maar daar moet het zaad ook vallen. Zo leert Hij in deze gelijkenis. En dan spreekt Hij ook over die
aarde waar het zaad invalt en ook vruchten voortbrengt. In vers 8. Goede aarde wordt
het genoemd. Het gaf vrucht. die opging en
wies en het ene droeg dertig en het andere zestig en het andere
honderd fout. Wat zegt de Heer Jezus daarmee? Ja, er is ongeschikte grond en
er is goede aarde. Nee, in de eerste plaats is er
alleen maar ongeschikte ondergrond. Dat is onze aller natuur. Als het zaad van het woord gestrooid
wordt op de bodem van ons hart, komt het nooit tot vrucht. En als de Heer Jezus dan spreekt
over die goede aarde, dan spreekt Hij niet over de mens, maar dan
spreekt Hij over zijn eigen werk. dat hij zelf zorg draagt voor
vrucht op zijn eigen arbeid. Dat kan ook niet anders. Waar Christus zaait, daar is
altijd vrucht. En ik geloof dat als hij hier
spreekt over de zaaier, ziet een zaaier geen uit om te zaaien,
dat hij allereerst over zichzelf spreekt en daarna ook en daarin
ook over alle zaaiers die uit mogen gaan om het woord te zaaien. We moeten beginnen. om eerlijk
in te zien dat wij van nature ongeschikt zijn. Onontvankelijk het woord niet
aannemen, niet in zijn oordeel, in het oordeel en ook niet als
het gaat over de vrijspraak. Ja, die willen we graag hebben,
maar zonder het oordeel. Niet ontvankelijk voor het woord
van God van nature. Maar als de Heer Jezus daarvan
spreekt, dan zit Hij op een schip. En waarom zeg ik dat, dat zult
u straks begrijpen. Als de mensen zo voor de Heer
Jezus staan om naar Hem te luisteren, dan is daar achter dat schip
water. En als een hoorder wat verder
kijkt over dat water heen, tien kilometer ver, dan ziet die hoorde
daar het land van de Garderenen. De Capulis. Maar dat is eigenlijk het meest
heiligste stukje land dat er te vinden is. En we kunnen ons ook wel voorstellen
dat daar frome aanhangers zijn van fariseeën, die zeggen nou
kijk, hier in Capernaum, daar kan de Heer Jezus wel geschikt
de grond vinden om het woord te zwaaien. We hebben synagogen,
we hebben rabbies, en vele aanhangers van de fariseeën hebben schrift
geleerde. Hier kan de heer Jezus gerust
arbeiden, maar daar aan de overkant van het water, in Decapolis,
daar is het niet zo geschikt. Dat is bijna heilendom. En misschien weet u ook van die
plaatsen hier in de omgeving, dat u denkt, ach, nou hier is
het nog kerkelijk, maar daar in die stad, daar moet je maar
niet heen toe gaan. Maar uw hart, hoe zit het daarmee
dan? Dacht u dat dat dan wel ontvankelijk
was? Dat dat goede aarde is? Negemetersiende op onszelf en
op de mensen harten, op de mensen aan wie het woord mag worden
verkondigd, is de prediking een onbegonnen werk. Maar daar hoeven we niet op te
zien. Want Christus heeft gezegd, ziet
een zaaier geen uit om te zaaien? Het is zijn eigen werk. Hij gaat
daarin voorop. En dan moet u eens opletten wat
er gebeurt. Hij heeft dat gezegd in vers
3, zie een saaier ging uit om te saaien en dan lezen we in
vers 35 van hoofdstuk 4, en op die dag als het nu avond geworden
was, zeide hij tot hen, laat ons overvaren aan de andere zijde. Gaat hij naar Decapolis, naar
het land van de Garderenen. Waarom? Ja, daar vindt de heer Jezus
geschikte grond, goede aarde. Bij de graven, waar een bezekende
woont, en volgens de evangelie naar Matthäus waren er zelfs
twee, maar Marcus ligt er één uit. Daar gaat de heer Jezus
naartoe, naar die akelige plaats in de bergen. ziet hij eruit, vreselijk. Bijna geen kleren meer aan zijn
lijf, schrammende blauwe plekken van iemand die zichzelf pijnigt. Zijn gezicht ziet er niet uit,
angstaanjagende ogen in zijn hoofd. De man is bezeker geworden. Ooit heeft hij in de stad gewoond,
zo blijkt uit de andere evangelie, maar dat kon hij niet uithouden. En nu woont hij in de graven. Een man die ook nog eens zeer
wreep is, zegt de Bijbel. Kom niet in de beurt, want hij
zou je wat doen. Ach, hoe is hij zo geworden? Dat staat er niet op. Ongetwijfeld zullen er plaatsen
zijn geweest waar deze man zich ingelaten heeft met de boze. Zoals er zoveel van die plaatsen
zijn te vinden. Waar de duivel zijn gebied heeft. Ook heel gemakkelijk bereikbaar
tegenwoordig, want we hebben maar één muisklik nodig en we
begeven ons al op dat terrein. Nou deze man heeft Blijkbaar
geen enkele bescherming gehad en genoten en de omgeving heeft
het zien gebeuren. Deze man is bezeten geworden,
omdat hij is geweest op terreinen waar zijn ziel vergiftigd werd
en waar de demonen huis gehouden hebben en in zijn gaan wonen. Decapolis. Het is net alsof deze
man eruit gelicht wordt om te laten zien wat nou Decapolis
is. Daar hebben ze een voorzichtig
verdrag met de hel gesloten, zoals een van de profeten gezegd
heeft. Want Decapolis, dat betekent
tien steden, en die tien steden hebben een bond met elkaar. Een verbond. Tegen God en zijn dienst. Ze wilden niet bij Israël horen. De heidense cultuur was er duidelijk
op te merken, die was ook dominant. Overal tempels van de afgehokten
konden er worden gevonden. Je kon het ook zien aan de kleding. En zoals we kunnen lezen in de
schrift zijn er ook varkenshoeders in het beloofde land. In het land waar de heren verboden
heeft om daar varkens te houden, tenminste, voor voedsel. O, dit gebied dat ook oorspronkelijk
bij Israël heeft behoord, is een verbond geworden, een tienstedenbond
geworden tegen God en zijn dienst. En nu zien we die man in de graven. Nou, dat wordt er nu van. Wie God verlaat is op smarte
vrezen. Dat wordt ervan. Dat is ook wat we langer en meer
zien. In Nederland, en wellicht ziet
u dat hier ook zo. Maar wat gaat Herjezus nou doen? Ziet een zaaier ging uit om te
zaaien. Om daar van een bezetenen een
zaaier te maken. Hij is hem eens koning. En hij
gaat zijn almacht tonen, daar in dat gebied. En dat blijkt meteen. Want we kunnen uit vers 8 opmaken
van onze schriftlezing, dat meteen toen de heer Jezus daaraan wal
gekomen is, dat hij als het ware gezegd heeft, ga jij onreine
geest, ga uit van de mens. Hij staat op band. Er komt die man die bezeten is,
die komt naar Jezus toe, want Jezus had gezegd, ga je onreine
geest, ga uit van de mens, daar direct waar hij zijn voeten neerzet. Als die machtige koning van de
kerk, dan moeten alle machten gaan wijken. En dan gaan die boze geesten,
die demonen, die gaan daar bidden. Die gaan bidden Als het ware
tot Jezus. Wat heb ik met U te doen? Jezus,
Gijs-Zoon, Gods des Allerhoogsten, ik besweer U bij, God, dat Gij
mij niet pijnigt. En dan blijkt van wie die stem
eigenlijk is. Welk is uw naam? En in antwoorden
zeggen ze mijn naam is Legio. Want we zijn met velen. Het is
een legioen. En dat is een getal van zesduizend
man. Of we het ook zo moeten verstaan,
weet ik niet. Maar er zijn vele demonen die in deze man huisen. en die willen geen gebied prijs
geven, geen hartprijs geven, en ook het tien steden gebied
willen ze niet prijs geven. Ze menen dat het hun terrein
is. Ze zoeken nog invloed uit te
oefenen. Want dan vragen ze, ze voelen
het wel aan wat er gaat gebeuren, of zij in die zwijnen mogen varen. En dat gebeurt. Zend ons in die zwijnen, opdat
wij in dezelfde mogen varen. En dan gebeurt het ook. Misschien vindt u het wel vreemd,
hoe zit dat dan? Waarom laat Jezus dat doen? Ach, Hij houdt in alles, daarin
ook de leiding. Als daar die demonen, de duivelen
in die kudde zwijnen varen en ze versmoren in de zee. Ik geloof dat Heer Jezus dat
toelaat. Om daarin ook het oordeel uit
te spreken dat over het Tien Stedengebied ligt. De zonde aanwijzer. Maar wat doet Hij? Waarom is Hij hier gekomen? Ach,
Hij was gericht op die ene man, allereerst, die in de graven
woonde, die er nu het allererst aan toe heeft. Daar is Hij nou op gericht, waar
niks mee te beginnen valt. Daartoe is Hij gezonden van de
Vader, van een die in alles aan de dood onderworpen is. Die man,
die gaat nou vrucht dragen, waar Jezus van gesproken heeft in
dat vierde hoofdstuk, vers 8. En het andere viel in de goede
aardige vrucht, die opging en wies, en het ene droeg dertig,
en het andere zestig, en het andere honderd valt. Deze man,
die gaat vrucht dragen. Hier ziet u het. Het werk van
die grote zaaier, de heer Jezus Christus, die gaat daar het leven
brengen waar mensen midden in de dood liggen, die in de graven
wonen. O, dan moet u ook eerlijk zijn,
alle hoorders van het evangelie zien hier hun eigen toestand
omschreven. verworden tot een wreet goddeloos
schepsel aan de drievoudige dood onderworpen. Geestelijk dood,
aan de tijdelijke dood onderworpen en aan de eeuwige dood. Ja, wij zouden zeggen, wie gaat
er nou naar die plek? Zit er een bang voor, voor die
man? Hij heeft al zoveel in elkaar geslagen. Je hoeft hem wat in de buurt
te komen, dan ontploft hij al. Schrik van de stad. Zijn blij dat hij
daar woont. En daar gaat de Jezus naartoe. Om deze man te verlossen van
de dood. Is dat niet evangelie? Dat is nou het werk. Dat is nou wat er gebeurt onder
de verkondiging van het woord. Daar zoekt hij ze op waar niks
meer mee te beginnen valt. Er zijn zoveel van die mensen
die weten nog raad met zichzelf. Er is altijd nog wel een openingetje. Er is altijd nog wel iets te
verzinnen. Er is altijd nog wel een grondje. Er is altijd nog wel wat te vinden
tot eer van God in de inbeelding van het hart. Maar voor hen is
de verkondiging van het woord niet dan alleen om daaronder
te bukken dat dit nu het oordeel is dat we aan de dood onderworpen
zijn. Maar dat evangelie van een volkomen
verlossing gaat nou uit voor zo'n die het moet zeggen, met
mij valt nou niks meer mee te beginnen. Die moet het worden verkondigen
moet het worden verkondigd, hiertoe is de Zoon van God geopenbaard,
dat hij de werken des bozen, des duivels verbreken zou. Weet u daarvan? Werd er zo opgezocht door de
zaaier, ging hij uit, om ook u te bezoeken, toen u het niet
meer wist, toen er met uw hart niks meer te beginnen was, om
u te verlossen van uzelf. Want dit is nu de troost van
het evangelie, dat het leven geschonken wordt midden in de
dood. Niet aan een mens die nog wat
heeft, nog wat bij zichzelf vinden kan, of die nog wat geestelijk
leven in zichzelf kan opwekken, maar voor daar gevonden waar
die mens midden in de dood ligt. Die zal God prijzen, die zal
hem loven, ja die zal en van mogen getuigen dat Christus nu
machtiger is dan de dood, machtiger dan mijn dood. Mag u dat weten? Wanneer worden nou de werken
des duivels Verbroken, als we luisteren naar dat vers uit Eohannes
3, vers 8. Er staat dat hij geopenbaard
is. Als Christus geopenbaard is,
dan worden de werken des duivels verbroken. Toen we hem leerden kennen, Toen u met hem in de gemeenschap
gebracht bent, Christus ingelijfd, toen kwam er een einde aan uw
dood en toen moest u beginnen te leven. Daar begint dat, dat de werken
des duivels verbroken worden, dat we van de heerschappij des
duivels verlost zullen zijn. En dat moet u dan zoeken. Ja, doodmens zoekt niet. Dat is waar. Maar u hebt geen excuse hoor. Want de Heer maakt ook zoekend.
En zolang u niet zoekt, bent u daar ook schuldig aan. Ach, weet u wat nou vast zit? We menen zoveel nog bij onszelf
te vinden, wat de Heer erbij kan aansluiten. Maar zijn er onder ons misschien
ook die niet hebben moeten zeggen, ik kan nou niet meer bekeerd
worden. Ik kon altijd nog bekeerd worden,
maar ik kan nu niet meer bekeerd worden. Want ik ben zo onbekeerd. Ik heb er alles aan gedaan, maar
ik ben erachter gekomen dat ik alleen maar tegen kan werken. Nou daartoe is Hij gekomen om
de zulke te helpen. op te trekken uit de dood om
ze te verlossen uit die put, uit het modderige slijk en ze
te zetten op een rots. Mag het u begeerd zijn dat Christus
aan uw ziel geopenbaard wordt, dat u met ogen van het geloof
de schrift mag gaan lezen, dat u maar nou mag zeggen, ja, dat
is nou mijn Jezus. Dat is nou mij zalig maken. Dat is mijn verloster. Wel, dan zien we hem. Want die zwijnen zijn versmoord
in de zee. De demonen zijn daarachter gebleven. En wat zien we dan? Dan lezen wij in vers 15, En
zij kwamen tot Jezus, en zagen de bezetenen zittende en gekleed
en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had. Dat is bijzonder. Hoe komt die man nou aan kleding? Hij is gekleed, hij is gewassen,
hij is schoon. Nou misschien heeft er nog wel
kleding van hem gelegen, dat weten we niet. Misschien was
het wel meegekomen in het schip, zou ook nog kunnen. Maar u mag tegelijkertijd hieruit
zeggen, hierin zien, hij is gekleed, omdat Christus hem heeft bekleed. Hij is gewassen, omdat Jezus
hem heeft gewassen in zijn bloed. En nu zit hij daarin, in het
kleed van Christus' gerechtigheid. Kijk, dan is de schabij des duivels
verbroken, ook al kun je er nog zoveel last van houden. Ook na
ontvangen genade dat je geplaagd wordt, bestreden, toch heeft
hij geen macht meer. Zijn macht is gebroken. Wat weet u daar nou van af? Want als Christus geopenbaard
wordt aan je ziel, dan is dat ook in de toepassing. Dan weet
u wie hij nu is. En wat u van hem vandaag geschonken
werd. Dan weet u, zijn bloed reinigt
van alle zonden. Het kon nooit meer, maar hij
kwam er aan te pas. Hij heeft u schoongemaakt, al
uw zonden weggeworpen in een zee van eeuwig vergeten. En u kon de wet nooit meer vervullen,
dat heeft hij gedaan. En hij heeft het u toegerekend.
maar heeft nog een goddeloze natuur. Hij niet. Hij is die smetteloze mens, wiens
heiligheid u eveneens is toegerekend. En zo ingericht is, rechtvaardig
voor God gerekend, en verlost van de boze, de werken van de
duinvol, verbroken. Daar zit die man, wel bij zijn
verstand, niet meer vervuld met al die demonen. En niemand kwam
er omheen. Er zijn mensen geweest, zwijnenhoeders. Als er 2000 zwijnen zijn geweest,
kunnen we ons voorstellen dat er ook heel wat zwijnenhoeders
zijn geweest. En die zijn er allemaal getuigen
van geweest. Hoe die zwijnen daar in de stijlten
zijn neergestort, welke afgrijzelijke krijsel dat zijn geweest. En ze hebben gezien hoe dat die
onrustige man Die vredeman, die in de graven woonde, hoe die
tot rust gebracht is en hoe die daar heeft gezeten bij de Jezus
Christus, komt er niet omheen. Dat niet. En wat leest u dan? Wat wij zouden zeggen, nou dat
is mooi, mensen zijn de stad ingegaan en ze hebben gezegd,
nou we hebben wonder gezien. Die man die in de graven woonde,
helemaal veranderd, in een ogenblik. Haar kleren aan, hij zit er weer
netjes bij. Dat is een wonder. Dat zou u zeggen. Maar we lezen iets anders in
vers 17. En ze begonnen hem te bidden
dat hij van hun landpalen wegging. Hoe kon dat nou? Ja, weet u wel. Waar Christus zijn almacht gaat
tonen, daar moet al het onze moeten aan. Het heeft hem heel veel gekost,
2000 zwijnen. Dat willen ze niet. Het heeft onrust gebracht. Als hij komt, dan moeten wij
sterven. Wie het leven zal willen gewinnen,
zal het zelf moeten verliezen. En dan komt de weerstand. En
dan beginnen ze te bidden, staat er zelfs. Te bidden dat hij van
hun landpalen zal weggaan. Dit is het Tien Steden gebied. Daar kunnen we geen zaligmaker
gebruiken. Gaat u terug, zo hebben ze gevraagd. Dat is waar. Nou, dat zullen wij toch niet
doen. Zover zal het toch met ons niet
aflopen. Bidden of Jezus wil weggaan. Ja en toch, als we gaan verstaan
wat dat is, dat die grote ik, die grote afgod onvermoed sterven
moet aan zichzelf, dan worden wij er een vijand van. En doen we precies hetzelfde
van nature. O Jezus, gaat U toch weg, Jezus
van Nazareth? We hebben wel van U gehoord,
wel wonderen gedaan in Capernaum. Maar gaat U maar weer naar Capernaum
om daar wonderen te doen. Ziet U? Afschuwelijk, hè? Dat is het ergste wat een mens
kan doen. Vragen of Jezus wil weggaan. Die vijandschap, Oh, als we gaan
leren wat het betekent om geheel van genade zalig te moeten worden,
omdat we midden in de dood liggen, dan zijn we er een vijand van. Wat is nou het wonder, dat Christus
nou zelf is gekomen om die vijandschap te gaan verbreken. Dat gaan we ook zien. Want dan
kijken we naar het volgende gebed in vers 18. Dan gaat het over
die bezetene. Zo werd die nog genoemd in vers
16. En ook nog in vers 15. Dus u
ziet dat die steeds zo genoemd wordt. Ziet u ook bij Simon,
de Melaartse. Die houdt ook zijn naam. En die
Zondares, in vers 7. Hij moet altijd weten dat die
bezetene geweest is. God houdt zijn volk klein. Maar
wat gebeurt er als hij zo die genade gods gekregen heeft en
verlost is uit de dood van de demonen, van de machten van de
hel? Dan leest hij vers 18 en als
hij in het schip ging, bad hem, degene die bezeten was geweest,
dat hij met hem mocht zijn. Precies het tegenovergestelde
als dat gebed van vers 17. Ach, waar je nou zo bang bent
geworden voor jezelf, en voor de zonde, en voor de macht van
de boze. En laat dat het bezegte maar
wezen. Waar ben je dan het beste af? Weet u nog wat Herrezen tegen
Petrus zei, toen hij zei, over dat leidert zal u geen zins geschieden. Toen zei de Heer Jezus, ga weg,
achter mij Satanas. Alleen achter hem, daar, is hij
veilig, beschut, beschermd. En dat zien we hier ook bij deze
man, die is verlost van de duivelen, en u vraagt of hij dicht bij
Jezus mag wezen. Want diezelfde Jezus, die zal
hem kunnen beschermen tegen alles wat er nog komen moet, wat er
op hem af zal komen. Vreselijk! Zo ziet hij er tegenop. Mocht ook meer in de beoefening
zijn, als u daarvan weet, van die genade Gods en Christus,
dat besef van deze man, Dat alleen in de gemeenschap en de beoefening
daarvan, van die gemeenschap met Christus, de zonde geen plaats
kan hebben en de duivel geen macht. Daar is vrede in de ziel,
daar is rust. Het mocht meer in het leven beoefend
worden, want we zijn zo hoogmoedig, ook na ontvangen genade, en menen
zo gemakkelijk, wel van alles af te komen. Wat is het nodig
om dagelijks dit gewet te bidden? Om dicht bij Jezus te zijn. In die gemeenschap met God te
mogen verkeren, aan die genadetroon te verkeren. Anders komt er niks
van je terecht hoor. Ook van een kind van God niet.
Er komt niks van terecht. Maar wat zegt u dan? Het gebed van vers 17, dat lijkt
verhoord te worden. Want Jezus gaat weg. Daar hebben ze om gevraagd. En het gebed van deze bezetene,
die vraagt om met Jezus mee te mogen gaan. Dat wordt niet verhoort. Ziet u dat? Doch Jezus liet hem dat niet
toe, maar zeide tot hem, Ga heen naar uw huis tot de uber, en
boodschap hem wat grote dingen u de Heren gedaan heeft, en hoe
hij zich uber ontfermd heeft. Hij moet blijven. En tegelijkertijd ligt daar ook
alles in opgesloten, want als Jezus hem weg zendt, dan betekent
dat ook dat hij genezen is. Als de dokter tegen je zegt,
u hoeft niet meer terug te komen, het is goed zo. Dan is dat het beste bewijs dat
hij erop vertrouwt dat het goed is zo. En zo zegde Jezus ook,
ga heen naar hun huis tot de uwen. Hij hoeft niet met de Jezus
mee. Maar als hij zal blijven, zal
de Jezus bij hem blijven. Met zijn genade. Ga heen naar uw huis tot de uber
en boodschap hem wat grote dingen de Heer u gedaan heeft. En hoe hij zich uber ontfermd
heeft. En als hier in het Grieks dat
woordje gedaan staat, dan is dat iets dat definitief is. Een
perfectem, dat is af. Hij is volkomen verlost. Zo mag
hij heen gaan. Wie nou met waar geloof zijn
ziel mocht overgeven, in de handen van de zaligmaker, om door hem
gered te worden. En die nou met waar geloof mocht
vertrouwen in zijn werk. die mag het weten, helemaal verlost,
van begin tot het eind, volmaakt, volkomen grote dingen die de
Heer u gedaan heeft. En hoe hij ze u ontfermd heeft. Dan moet je ook gaan vertellen,
wat is er nou gebeurd? Wat gebeurt er nou? Nou stel u eens voor dat deze
man getrouwd is geweest. Weet u niet, maar het zou kunnen. Is teruggegaan van de plaats
van de graven. Naar de stad gelopen, Gergensam
misschien wel. Naar het huis waar hij gewoond
heeft en daar ziet zijn familie hem aankomen. Meneer, kijk, wat is daar nou
mee gebeurd? Misschien wel bang aan het begin,
van oh, daar komt-ie aan. Maar ze gaan het zien, daar is
een wonder aan deze man geschieden. Ja, als een mens door bekering
komt, dat geloof is dat een wonder. Wordt het ook beleden, wordt
ervan getuigd als van een wonder. En dan gaat die man ook vertellen
hoe, kan die man vertellen hoe dat hij gered is. Hoe daar die ontferming over
hem geweest is. Weet je wat nou zo'n wonder is? De reden waarom. Kijk, want waarom doet hij die
hestert nou? Dat is nou zijn darmhartigheid.
Dat is nou die eindeloze liefde dat volk dat hem heeft gevraagd
om weg te gaan. Ik had een prediker, een zaaier. Hij was bezeten, maar door heer
Jezus gemaakt tot een zaaier, om het zaad te zaaien in Decapolis. Waarom? Omdat God nou er een behagen
heeft om vijanden met zichzelf te verzoenen. om goddelozen terechtvaardig,
om onwilligen gewillig te maken. Daarom moet deze man terug, terug
naar de stad waar hij vandaan komt, om daar te getuigen van
die liefde gods welke is in Christus Jezus. En dan leest u in vers
20, en hij ging heen. en begon te verkondigen in het
land van Decapolis wat grote dingen hem Jezus gedaan had. En zij verwonderden zich allen. Zie je wat er gebeurt? Dan mag hij gaan vertellen van
een volkomen zaligmaker. En waarom zeg ik dat? Nou de
heer Jezus die zegt in vers 19 dat hij moet gaan vertellen wie
de Heer is, dat is God. En dan ziet u dat hij gaat vertellen
wie Jezus is. Hij is prachtig God. Een prachtig mens. Zo volkomen
zalig maken, van God geschonken. Die mag daar toch verkondigd
worden. Aan dat volk dat gevraagd heeft
of Jezus wil er weggaan. Op dat hij in zijn almacht werken
des duivels zou gaan verbreken. Is het geen wonder dat de heer
Jezus nou deze man daar in Decapolis achterlaat om daar van hem te
getuigen. Ja, het was een wonder. En dan
lezen we ook, en zij verwonderden zich allen. Mensen hebben gehoord hoe deze
man heeft getuigd Een blijdschap in zijn ziel. Een blijdschap
op zijn aangezicht. Dat Jezus hem heeft bezocht. Verlost heeft hij het graf van
de zonde en van de eschappij des duivels. Dat zijn ziel gered
is. Dat is alles gered. Verlost van het verderf. Van zijn krankheden genezen. Mag hij gaan zingen. En de mensen
verwonderen zich. Wat is er toch met die man gebeurd?
Ja. Maar zegt u verwondering is niet
genoeg? Nee, dat is waar. Als we onze leven wonderen, dat
is niet genoeg. Met verwondering kunnen we niet
zalig worden. Er zijn zoveel mensen die zich
verwonderen. Maar die verwondering, dat is
geloos. Dat is voldoende. We weten, niet
zo heel lang geleden, is er in deze plaatsen een kerkje gevonden. Eén van de aller oudste ooit
die gevonden zijn. En meerdere schijnen er zelfs
gevonden te zijn. Waarom? Nou, Jezus doet geen halve werken. Jezus heeft daar de verkondiging
van het woord ook in Decaplus gezegend. Opdat het verdrag met de hel
verbroken zou worden. en velen zijn toegedaan tot de
scharen die niemand tellen kan, ook in de kapelers. En daarom is de verkondiging
van het woord niet te vergeefs, waar God verheerlijk wordt, verhoogd
en de zon daar op z'n allerdiepst vernedert, waar Christus mag
worden verkondigd als die ogenoegzame zaligmaker. Hebt u hem nou lief? Misschien zegt u wel ja, ik weet
ervan. Ik kan niet ontkennen dat die genade ook mij ten deel
is gevallen. Maar daarna, oh daarna, ik weet
nog niks wat er met mijn hart te beginnen is. Ik kan nog zo weinig met mijn
eigen hart. Ach, geeft u opnieuw aan hem
over. Hij weet raad met dat hart dat
dodig is, dat in dorheid wandelt. Hij kan het verkwikken. Hoe zie toch op hem alleen als
die zaaier die volkomen werk doet. Een zaaier ging uit om
te zaaien. Hij heeft de bezetenen uit het
graf gerukt om hem mond te geven. tot zijn eer, en dat geven u
en mij. Datzelfde gebed op de lippen. Open, heren, mijn lippen door
uw kracht, omdat ik zijn lof zou verkondigen. Zijn naam tot eer. Amen. Zullen we nu gaan zingen uit
Psalm 116 vers 2 en 8. Ik lag gekneld in banden van
de dood, daar de angst der hel mij alle troost deed missen.
Ik was benauwd omringt door droevenissen, maar riep de Heer er dus aan,
in al mijn nood, en ook het achtste, nu zal ik voor de weldaar die
ik genoot, aan Hem, naar mijn gelofte eer bewijzen, Hem onder
al zijn gunstgenoten prijzen, hoe kostelijk is in zere oog
hun dood." Psalm 116 vers 2 en 8. Heer, u bent de Heer, u bent
de Heer, u bent de Heer. Ja. Zo zal me danken. Heere, geef Gij ons die erkenning,
dat Gij nu die God zijt, die genade bewijst, daar waar niets
mee te beginnen is, Gij toont uw almacht aan al uw kinderen,
want u verlost hen allen uit de dood. U brengt ze uit de duisternis
tot het wonderbaar licht van uw evangelie. En zo hebt gij
ook die man verlost, gekleed en gewassen, gewassen in uw bloed
en bekleed met uw gerechtigheid. en het hem gemaakt tot een prediker. Zo zult U toch ook al uw volk
opwekken om goed van U te spreken, heren, geef dat dat ook mogen
zijn, de vrucht van de verkondiging, ook in deze plaats, in deze omgeving,
dat uw volk en kinderen meer en meer een mond mogen hebben
om van uw lof te getuigen, van uw Goedheid, die de eeuwigheid
verduurt. Heren, welke genade klinkt daarin
door, dat Gij nu aan hen, die hadden gebeden of Gij weg wilde
gaan, zulke genade hebt bewezen. Wilt Gij, Heere, ons verbreken
door het evangelie, en dan steeds weer opnieuw, opdat we hoe langer
hoe kleiner mogen worden in onszelf, die plaats der vernedering mogen
kennen, waar Gij aan uw eer komt, en op het allerhoogst wordt verhoogd. Ja, Heere, geef ons veel te mogen
zien op uw Zoon, dier Jezus Christus. Bij Hem is macht, bij Hem alleen. Gedenk ons zo in het verder van
deze avond en deze week. Sterk ons nog in alle werkzaamheden
en zorgen die er misschien kunnen zijn. Gij weet van aan ieder
van ons. Gedenk alle die ons lief en dierbaar
zijn, hier en ook in Nederland. Wij bidden dat alles van U in
de vergeving van al onze zonden om Jezus wil. Amen. Zingen wij op Zaalm 66, daar
van het 8e vers komt. Luister toe, gij Godgezinden,
gij die den Heren van harte vreest, hoort wat mijn God deed ombevinden,
wat Hij gedaan heeft aan mijn geest. 66 vers 8. Heerlijk onderwees, door aan
de koning onderwezen, Amen. gaat Hij in vrede ontvangen met
u de zegenders, heer die wij in zijn naam op u leggen. De Heer zegende u en hij behoedde
u. De Heer door zijn aanschijn over
u lichtte en zei u genadig. De Heer verhefde zijn aangezicht
over u en hij geefde u vrede. Amen. MUZIEK.
Markus 5
| Sermon ID | 61916109480 |
| Duration | 1:16:55 |
| Date | |
| Category | Midweek Service |
| Language | Dutch |
© Copyright
2026 SermonAudio.