00:00
00:00
00:01
Transcript
1/0
gemeente bij de genade van de
heren zetten wij de bijbelezingen zoals we die geëindigd zijn in
Nederland hier voort met te lezen uit het tweede koningenboek,
het elfde hoofdstuk. We hebben de geschiedenissen
van Agap gehad, het sterven van Izebel en we komen nu tot twee
koningen elf. Waar we godsheilig en onverbaar
wordt al dus lezen, toen nu Athalia, de moeder van Ahasia, zag dat
haar zoon dood was, zo maakte zij zich op en bracht al het
koninklijk straat om. Maar Jozebat, of Jozeba de dochter
van de koning Joram, de zuster van Ahasia, nam Jozos, de zoon
van Ahasia, en stal hem uit het midden des koningszonen, die
gedood werden, zettende hem en zijn voetster in een slaapkamer,
en ze verborgen hem voor Atalia, dat hij niet gedood werd. En hij was met haar verstoken
in het huis des heren zes jaren, en Atalia regeerde over het land. In het zevende jaar nu zond Jooia
daar en nam de overste, van honderd met de hoofdmannen en met de
trawanten, en hij bracht hen tot zich in het huis des heren,
en hij maakte verbond met hen, en hij beedigde hen in het huis
des heren en toonde hun de zoon des konings. En hij gebood hun, zeggende,
dit is de zaak die zij doen zult, een derde deel van u die op de
Sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van het huis des konings,
een derde deel zal zijn aan de poort sur en een derde deel aan
de poort achter de trawante, zo zult gewaarnemen de wacht
van dit huis tegen inbreken. En de twee delen van jullie,
de allen, die op den sabbat uitgaan, die zullen de wacht van het huis
des heren waarnemen bij de koning. En gij zult de koning rondom
omsingelen, en ieder met z'n wapen in z'n hand, en hij die
tussen de ordeningen intreedt, zal gedood worden, en zijt gij
bij de koning als hij uitgaat en als hij inkomt." De overste
dan van honderd deden naar al wat de priester Jooija daar geboden
had, en namen ieder z'n mannen, die op de Sabbat ingingen, met
degenen, die op de Sabbat uitgingen. En zij kwamen tot de priester
Joiada, en de priester gaf de overste van honderd spiezen en
schilden, die van de koning David geweest waren, die in het huis
des heren waren. En de trawanten stonden ieder
met zijn wapenen in zijn hand, van de rechterzijde van het huis
tot de linkerzijde van het huis, naar het altaar en naar het huis
toe bij de koning rondom. Daarna bracht hij des Konings
Zoon voor en zette hem de kroon op en gaf hem de getuigenis,
en ze maakte hem koning en zalfde hem al daar, en daartoe klapte
zij met de handen en zeide de koning leven. Toen Athalia hoorde de stem der
trawant en des volks, zo kwam zij tot het volk in het huis
des heren, en zij zag toe en zie de koning stond bij de pilaar,
naar de wijze. En de overste, en de trompetten
bij de koning en al het volk des lands, was blijde, en blies
met de trompetten, toen verscheud Attalia haar klederen, en ze
riep verraad, verraad! Maar de priester, jo, ja, daar
gebood de overste van honderd, die over het heer gesteld waren
en zeiden, brengt haar uit tot buiten de orderingen, en doodt
wie haar volgt met het zwaard. Want de priester had gezegd,
laat haar in het huis des heren niet gedookt worden. En ze legde de handen aan haar
en ze ging de weg van de ingang der paarden naar het huis des
konings, en ze werd daar gedookt. En Jooijen daar maakte een verbond
tussen de heren en tussen de koningen, tussen het volk, dat
er den heren tot een volk zou zijn, mitschaders tussen de koningen,
tussen het volk. En daarna ging al het volk des
lands in het huis van Baal en braken dat af, zijn altaar en
zijn beelden verbraken ze rechtwel, en Matan, de priester van Baal,
sloel ze dood voor de altaar. De priester nu bestelde de ambt
in het huis des heren. En hij nam de oversten van honderd
en de hoofdmannen, de trawant en al het volk des lands, en
zij brachten de koning af uit het huis des heren. en kwamen
door de weg van de poort der Trawanten tot het huis der Konings,
en hij zat op de troon der Koningen. En al het volk des lands was
blijde, en de stad werd stil, nadat Satalia met het zwaart
gedood had. Bij des Konings huis Joas nu
was zeven jaar oud, toen hij koning werd tot zover. Beest op zingen Van Psalm 74,
2, 4 en 12 Psalm 74, 2, Vier en twaalf, we waren samen
willen zingen. Herdenkt de trouw en ons vooreen
betoond, Uw vijand heeft er plaatsen van gebed, En dan ook het twaalfde
vers, Gij evenwel, gij blijft dezelfde, o heren, wat er verder
volgt. Gemeente, de heer is een god
van oordeel, Want Jehu was geroepen om het ganste huis van Agath
alle mannelijke leden te doden. En zo ontzaglijk is dat je roeping
is, als je geroepen wordt tot oordeel. En Jehu was geroepen tot oordeel. Als hij gedood heeft, dan krijgt
hij zelfs van de heren een gunstbewijs, dat hij dat gedaan heeft. Kijk,
heel veel mensen willen dat eigenlijk, maar nauwelijks geloven dat God
ook een God van oordeel is. Maar hij gaat zijn vijanden tekeer
en is alleen eens overwinnen. Het is zelfs zo, geliefden, dat
God in de weg des oordeels genadig is. Zonder oordeel is er geen
genade. Het altaar, en wat op het altaar
is, wordt met vuur verbrand. Het oordeel keert vol majesteit
haast weder tot gerechtigheid. Kijk, genade is niet goedkoop,
genade is duur. de menselijke natuur van de middelaar. Maar goed, wat gebeurt er? Jehu in opdracht van God doodt
het geslacht van Agap. De Waalpriesters en nou Atalia,
de dochter van Agap, getrouwd met Joram, een Davidische koning,
doodt nu alledaag geslacht van daar. tenminste dat denken ze. Als dat geschied zou zijn, zou
er geen zaligheid zijn, want het nageslacht van David zou
voortbrengende zalig maken. Dus in alle eeuwen is de woede
van de duivel altijd geweest op het geslacht van David, opdat
hij het ombrengde voordat Christus plaatsvervallend zou sterven.
Moet je opletten, hoor! Daarom ziet u de Heer Jezus ook
in zijn omwandeling zich steeds onttrekken, opdat hij niet gedood
zou worden voor dat hij kruisigd is, plaats bekledende bediening. Maar de duivel denkt, als ik
nu al dat zaad van David door Athalia, de dochter van Achem,
laat doden, is het afgelopen met de godsregering. Heeft de duivel het gewonnen? Maar ze misrekent. Want God behoudt zijn volk door
kleine dingen. Een klein jongetje. Ik geloof dat het 41 waren die
ze tegelijk tijdig dood. En dan zeggen de Joden in dat
massagraf, waar al die mannen invallen, die prinsen, is een
klein jongetje van 1 jaar. Dat is tussen die gedoden prinsen
ook gevallen. En weet u, nou is er een vrouw,
Jozeba, de dochter van koning Oram, ze is getrouwd met de hoge
prinsje Jojena. Ze is niet van Atalia, ze is
van een andere vrouw. En deze vrouw vrees de Heer. En wat doet ze? Ze ziet tussen
al die gedoden koningszoden dat ene jongetje van een jaar oud. En ze haalt dat jongetje met
zijn voetster. En ze beschermt het in een bijgebouw
van de tempel. Heb zij dat gedaan, heeft God
gedaan. Het Koninkrijk Gods, moet u eens
opletten gemeente, Wordt soms teruggebracht, zegt de Nederlandse
geloofbeleiding, is vaak tot twee of drie, maar nooit geheel
weggenomen, voordat Christus weerkomt. Heel de wereld heeft gedacht,
en ik denk ook Gods volk, en ondergezucht, nou is dat gelopen,
alle koningszoden gedroogd. En de heren zeggen, nee, ga toch
door. Want ik heb mij een vrouwtje
afgezonderd, Jojena, zijn vrouw, en die heeft dat ene jongetje
van een jaar oud met de voester bewaard in een bijgebouw in de
tempel. Zijn ze zes jaar ondergedoken
geweest. Heel de werelddacht is afgelopen. En dat is soms ook de ervaring
van de kerk in aanvechting. Dan kan het zover zijn in je
leven dat je zegt, zou God z'n genaar vergeten, nooit meer van
opverving weten. En dan ziet u hier zelfs zes
jaar, is dat ene zoontje, ene Davids zoontje, verborgen geweest. Drie mensen wisten het. Joja,
dat hooggepriester. José was vrouw en de voetster. En God, ja. Weet u, die heren bewaard zijn
kerk vaak door de zwakste middelen, door de kleinste mensen. Of dat niemand zou zeggen, Joosja,
of, als die groot is, maar als die niet eens teller aan regenen
kan, bewaart God in hem de zaligmaker voor Sion en zijn eeuwig koninkrijk. Want de Heer is machtig te verlossen,
zegt de schrift, door velen of door weinigen. Wij houden van
velen, God soms van weinigen, opdat ze los verkondigd worden. En hij gebruikt vaak de zwakste
middelen voor de heerlijkste zaken, echt waar. Wat zijn kracht wordt in, zwakheid
volbracht. Als heel de wereld denkt, is
afgelopen, zeggen heren niet. want mijn woorden zullen niet
te raden vallen op Salomon de tweeëndertig. Ik zal uit dat
zaad van David mijn koning over Israël bevestigen. Maar gemeente, nou persoonlijk,
er gingen wel oordelen over dat volk. En zullen daarbij geweest zijn,
dan vraag ik dat, hè? U zult zeggen, ja, dat staat
er niet, dat doet er niet zoveel toe, want dat is de analogie
Afilië, dat is de analogie, dat is gloos. Zullen daarbij geweest
zijn die gezegd hebben, heren, de tempel is verwoest, maar het
gaat uw eer aan. Dat geloof ik. Dat wil God's glorie niet zeggen. Maar hebben ze die koning, wisten
ze daarvan dat God dat kleine jongetje als koning bewaren zou
over zichzelf? Nee. Nee, nee, nee. Dat moest zich laat getoond worden. In de weg van het oordeel moest
dat zich getoond worden. En weet u, daar heeft dat jongetje
met Die vrouw van de hogepriester en die voetster hebben zes jaar
in zo'n kamertje gewoond. Ik heb mij afgevraagd, en dat
vraag ik natuurlijk weer, waarom zes jaar wel. Kinderen werden
vaak gespeend tot zes jaar toe. Het zevende jaar waren ze vaak. Dus ze werden verzorgd door de
verzorgster tot zes jaar toe. Dan waren het paideiaai, kleine
kinderen. Het zevende jaar, dan waren ze
gespeend, dus af. van de voetster gebracht, zelfstandig. Min of meer, hè? Min of meer,
min of meer. Maar niet meer aan een voetster
hangen. En welgemeente, dan is de tijd
gekomen dat de hoge priester dat kleine jongetje moet kromen. Hoe gaat hij dat doen? Daar roept de hoge priester de
hoofdman over honderd. En u moet denken, dat is in de
tijd van David ingesteld 24 orders van priesters en levieten. De uitleggers zeggen per orde
duizend man. De tempeldienst was zeer verdonkerd. Dat zult u laten zien, dat wordt
daar verhersteld. Maar er was wel een tempeldienst. En deze priesterdienst, deze
orde deden een weekdienst. die begonnen bij de Sabbat. En wanneer begon de Sabbat? Vrijdagavond zes uur. Bij ons zijn we ermee begonnen
om twaalf uur, maar om zes uur vrijdagavond begon de Sabbat. Tot zaterdagavond zes uur. Daarna was de Sabbat voorbij.
Dus de Sabbat, de dag des heren, liep niet van twaalf tot twaalf,
maar van zes de vorige dag tot zes op de Sabbatdag. Nou wat gebeurde er? Dan gingen
aan het einde van die Sabbatdag, gingen duizend priesters weg
en duizend kwamen terug. Had hij er twee duizend. En Yoyeda roept die mannen, die
twee duizend mannen en hun overstoot ronden, roept die Sahara. En wat hij dan eerst doet is
dit. Hij laat hen de koning zien. Hij zegt, er is nog een koning. Was dat dan wat geweest? Zijn die gedachten, de druivel
heeft het gewonnen, in uiterste bestrijding geweest zijn. Hij
toont hen de koning. Ze hebben zich in God verblijft
daar, geloof je toch wel? Onmogelijk. Uit het oordeel opgerezen
des Koningszoon! Ach mensen, daar is iets om vernederd
te worden, dat God z'n rijk hand haakt, en dat het vorste duister
is, toch z'n zin niet krijgt. Soms lijkt het wel dat hij alles
regeert, maar Gods Koninkrijk is vaak zeer verborgen, en God
regeert toch verborgen door. En dat zonnetje, dat kleine jongetje. Maar luister, zou die het wel
wezen? Er zijn zoveel kleine jongetjes. En dat jongetje weet het niet. Maar er waren twee getrouwigen. Dat was Jozeba, die hem daar
tussen die dode prinsen vandaan gehaald had, en de voester. God is koning en heeft getuigen. En wat doen die getuigen? Die
zeggen, deze is het. Zegt de heer Jezus tegen de apostelen. Gij zult mijn getuige zijn. Heel de wereld heeft in de heer
Jezus niks te zien. Maar het woord Gods getuigt zijn
heerlijkheid. En ze hebben het geloofd. en
zijn zalig geworden, die dat getuigenis ontvangen hebben ter
zalige. En dan zegt hij, we hebben een
plan, maar ik ga u eerst onder ede stellen, zegt hij, u mag
hier niks van vertellen. Hij zegt, ik ga de groepen verdelen,
als straks de ene duizend mensen weggaan en de andere komen zijn
er twee duizend, dan ga ik niet alles precies aanwijzen, hij
zegt, maar dan gaat u De een gaat naar die poort en de ander
die gaat naar het paleis en de ander gaat daarheen. En de mensen
die uitgaan, die krijgen van mij wapens van de kweetje en
de pleetje. En die gaan rondom dat kleine
koninkje staan. En dan gaan we die koning zalven. In de plaats van zijn vader David. Die kleine jongens. Hij zegt maar dat moet beschermd
worden. Want dat koninkrijk wordt opgericht
in midden van vijandig gebied. Het is nog zo hoor. Gods koninkrijk wordt altijd
opgericht in midden van vijandig gebied. Twee. Als u dit hier ziet, dan
ziet u dat de kerk instrument wordt voor de staat. Dat is eigenlijk altijd in Israël. Eerst de kerk en dan de staat. In de wereld is het eerst de
staat en misschien de kerk. In Israël is het eerst de kerk
en dan de staat. In Nederland, maar ook in de
Verenigde Staten. En ik denk in Engeland. In veelwesterse
landen was eerst de kerk en dan de staat. De kerk is voetster van de staat
en de staat is beschermer van de kerk. De priesters, die verdedigen
het Davidisch Koningschap, de hoge priester, Hier in de Verenigde Staten in
Canada schijnt het tegenwoordig de mode te zijn om kerk en staat
te scheiden. U mag ze wel onderscheiden, maar
niet scheiden. U moet straks kiezen. Tenminste, niet iedereen, hè?
En dan gaat het erom, wie moet koning zijn in Canada? De revolutie of Christus? En al is het maar een klein handje
vol, dan zult u stem daar moeten brengen, wat de koning der koningheerschappij
heeft. Dat moet ik in Nederland, dat
moet ik wereldwijd, dat ziet u ook hier. Ik vind dat heel
mooi als de kerk soms, als de staat soms vergaan is. Er is God, er staat op uit kerk. Nieuw. Ja. En wat gebeurt de gemeente als
nou die soldaten, die priesters krijgen dan de wapens van de
kreetie en de pleetie, van David, die gaan om dat kind staan, En
dan gaan twee dingen gebeuren. Dan gaan ze hem zalven met olie. Jooier daar de Hoge Priest. Dat is verkiezing en bekwaming
tot het ambt. De olie is een teken van de Heilige
Geest, ambtelijk en persoonlijk. En in de tweede plaats, en dat
vind ik zo mooi, ze geven een bewijbel. Ook hier is eigenlijk een schoon
gebruik. Als hier iemand een eed aflegt
als Amsdrager van de staat, deed hij dat altijd met zijn hand
op de Bijbel. Of u zweert in naam van God,
als Amsdrager. Onze Koning, hoewel hij de naam
des Heren niet genoemd heeft in Nederland, heeft wel met z'n
hand op de Heilige Schrift z'n hand opgehaald. Dat is niet maar zo'n teken. Dat is een teken dat hij zich
onderwerpt aan het Woord van God in z'n ambtelijke bediening. Dat is één. Twee, ik ga weer
een beetje naar beneden. Toen u getrouwd bent, wat hebt
u toen gekregen? een huwelijksbijbel, opdat uw
gezin en uw kinderen richten zou naar God worden. U hebt de bijbel gekregen. We noemen dat de gezinsbijbel. Je moet niet zo de bijbel krijgen,
u had al een bijbel, maar die wordt u gegeven in uw ambt. Als
vader heb je een ambt, als moeder heb je een ambt. een regeeramt,
vaderlijk bijzonder, een priestelijk ambt, een koninklijk ambt, een
profetisch ambt. En u hebt een schrift gekregen
om ze te lezen, om daar een schrift uw leven in te richten in de
familie. Het is helaas zo dat veel families
en onze gezinsomstvaders niet eens hardop bidden. En dan zeg
ik niet dat zo groot een gebeden moet houden, zeg dan een woord! Lees het woord! U hebt uw aand. Jehoas die krijgt de bijden,
de inzettingen van God. Er wordt gezalfd, het Heilige
Geest krijgt de scheur. Ja, mooi he? Prachtig. En dan? Nee, weer wat. Dan zegt de hoge priester, dan
gaat Jehoas een verbond maken met God en met dat volk. Nu is dat woordje verbond en
dat is belangrijk dat te houden en te onthouden, dat is beriet,
dat is gesneden. Verbond is, het woordje verbond
is dat wat gesneden is. En waar komt u dat tegen? In Genesis 15, daar wordt het
verbond gesneden. Wat gebeurde? Slachtofferdieren worden doormidden
gesneden. En er wordt helft tegenover helft
gelegd en een pad met bloed. En dan wacht Abram tot God met
Abram tussen de stukken doorgaat. Maar Abram valt in slaap. De Heer gaat er alleen tussendoor. Christus alleen. Waarom? En nu krijgt u het wonder. God verbond met de kerk. is niet
meer een werkverbond, maar een genadeverbond. Dat werkverbond is gebroken. En door de werken kunt u God
niet meer beharen. Maar ga een stapje verder. Daar zijn geen goede koningen. Daar zijn geen goede dominees. Daar zijn geen goede vaders. Daar zijn geen goede burgemeesters. Dat zijn zonder die genade nodig
hebben zelf en om hun ambten te regeren. Hoor je dat? Daarom staat er zo in de katechismes
dat je met de zwakheden en de zonden van je ouders geduld moet
hebben. U hebt geen goede vader gehad
en u bent het ook niet. En er is nog nooit een goede
koning geweest. Wel godzaalige koning of rechte
koning. En u kunt niet een goede koning
worden door werken, maar alleen door genade. Door de verzoening die in Christus
is. David was een man naar Gods hart. Weet u waarom? Hij was oprecht. Weet u wat hij deed? Hij beleed
zijn zonden en schuld voor God. En kreeg genade. Ja, de gemeente haken we verder. We moeten allemaal uit dat werkhuis
sterven. om van genade te leven. De eerste
adem moet lood, opdat de tweede adem eerst voorbij hebben. De eerste adem moet verbreizeld
worden, broodkoren moet verbreizeld worden, opdat uit dat verbreizelde
brood Christus leeft. Ik ben een goede vader, en jij
bent een goede vader. Maar ik heb mijn zalen gezalig
gemaakt, die genade zit voor vader en zoon. Eerschappij van verbond is altijd
genade, eerschappij, zonder dat u uw kinderen ziet komen uit
uzelf voort. Ja, ik zie mijne nog, mijn zoon. In de tabak. Vader, ik kom niet naar de bijbelezing,
ik heb vanavond afsluiting van het tabak. Zo. Ik zeg, dat gaat
niet hoor, je komt in de kerk. Hij zegt, je zult voorzien. Hij was er niet. Hij was er niet. Ik kwam laat thuis, stommelde
de trap op. Ik mag het zeker zeggen van hem. Niet best. Zes uur s'ochtends moest hij
weer beginnen, maar ik lag erop wakker. Ik denk, je ontsnapt me niet. Vanavond niet, kan je niet eens
met je praten. Morgen zal ik met je praten. Hij vliegt de garage door naar
z'n opentje, wil weer naar het veld. Dag mijn jongen, hij kijkt
me aan, mijn hart breekt. Ik zeg, lieve jongen, jij en
je vader hebben genade nodig. Dag mij ook. En jij bent nooit meer te laat
gekomen. Hij zei, want tegen genade kan
je niet vechten. Ik kan tegen genade niet vechten. Tegen de wet kan ik vechten. Ik heb je ooit eerder gezegd
hè, dat mijn vader me een pak slaag gaf, dat moest wel eens
ergens. Ik vroeg erom hoor. Die man heeft nog sarris gehad. Maar weet je, als hij het deed,
dan dacht ik, tanden op elkaar zetten duurt niet lang zo over. Maar als mijn moeder begon te
huilen, zei Jochie, wat heb je nou gedaan? Daar kom je tegen weg. Daar komen betanden niet op elkaar
en zo is mijn God ook. Met de wet vecht je, maar met
genade krijg je niet vecht. Weet je waarvan de kerk het verliest?
Van de genade. Daar kan je niet tegen wegkomen. Luther zegt, ben boos geweest
op God, die de wet van me eiste, wat ik niet doen kan. Hij zei,
ben boos geweest, en die woedend was hij. Maar toen genade zijn
deel werd, zakte hij naar beneden. Er begon hij te roepen, Gena,
o God, Gena, mag ik eens vragen, weet je dat nou bij bevinding? Hij het van genade verloren,
en Jezus Peters aanziende, geen buitenweten meer. En daarom uit die volheid zegt,
en heren heb ik opvangen, genades en joannes voor genade. En hoe
meer genade je krijgt, hoe meer je zakt. Paulus zegt, hoewel ik niks ben,
maar de genadegods die met me is. Beste vrienden, God die handelt
alleen met zijn kerk in het genadeverbond. Het werkverbond heeft hij voor
de Heere Jezus weggelegd. Versta je dat wel? Het werk verbond is voor de Heer
Jezus. Het werk moet je lezen met het
oog op Christus. Hij heeft doordoende zaligheid
verdiend, opdat u door genade zalig zou worden door zijn doen,
niet door uw doen. Ik heb overvloediger gearbeid
dan ze allen, zegt Paulus, in een ambtelijke bediening. Hij
zegt, maar niet ik, zegt die jongen. Nee. Hij is er niks van gemaakt, maar
hij zegt, de genade gods die met me is. Had ik meer genade, ik was kleiner,
God was groter. Had ik meer genade, ik hoefde
niet meer zo te vechten, ik was verloren en behouden. Versta
je me eigenlijk? Er zijn geen goede koningen,
er zijn geen goede vaders en er zijn geen goede moeders. Er
zijn maar twee soorten mensen, zondare zonder genade en zondare
met genade. Versta je me nou eigenlijk? Ik ben een zondar maar met genade. En die is niet onvruchtbaar geweest. Zo kan ik ambtelijke bediening
waarnemen. Aan het einde van de dag komt
en je hebt die antwoord, ja, ik ben aan het einde van mijn
leven, zeventig jaar, en ik kijk terug naar hem hard roepen, Genade,
o God, genade, genade, genade. Als u me ooit gebruikt, dan is
het genade, genade, genade. Niet uit mij, niet uit mij, al
uit hem, zo reis ik naar juwelijk. En om al een goed koning te zijn
en een goede vader en een goede ams dragen, moet je lachzakken
om genade te houden. En als er een van die schaapjes
gevallen is, moet je komen, moet je hem zijn potje verbinden en
op je schouder leggen. En dan sta je die hoog te blazen
en dan zeg je dit is niks en dat is niks. Ik ben niks. Hij
is alles. En uit die volheid is er nou
genade voor gemaakt, wordt je leven anders, krijg je een andere
regering. Dan wordt er niet meer moeten,
maar mogen, mogen, mogen. Daar zijn we nou vijanden van,
hè? Als klein mens wil je al leren
lopen. Maar godsvolop maar rusten, na
het werk. Ja, zegt hij, want ik ben niet
gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. Hij zegt,
je kan me helemaal niet dienen als ik jou niet eerst dien, zegt
die kooi. Of moet het allemaal nog bij
je? Moet het nog? Zit je nog onder het moeten? Arme ziel. Harenmuseum. Loopt op niks uit. Loopt op niks uit. Nee, nee,
nee. Tweede. Een verbond tussen de koning
en God en de koning en zijn volk. Een ambtsdrager staat nooit in
eigen autoriteit. Je bent niet vader en moeder
omdat je vader en moeder bent van jezelf. Daar ben je niet.
Kinderen zijn een erfdeel. Je staat tussen God en je kinderen.
Als Amstrager sta je tussen God en de gemeente. En wat zegt Koudes? Dien de heren. Dat is het eerste he, het verbond
tussen de koning en God. Lees maar hoor. In de democratie, dus democratie
is duivelsregering, moet je het volk dienen. Die bepaalt het. In Gods Koninkrijk
moet je God dienen. Door genade, heb ik gezegd, hè.
Moet je niet weer beginnen met de wet. Genade, hè. Daarom zegt hij eerder, door
middel van zijn woorden, door de mond van Timotheus, dient
een heren. Als erop aankomt, hè, als erop aankomt, goed begrijp,
hè, goed begrijp, want ik las vandaag nog, die Joden en Joden,
de Grieken, dat ging onder de wet, onder de wet, opdat ik enigen
zou gewinnen. Dat wel! om enigen te gewinnen, voor hem
zijn koninkrijk. Maar luister, hoe? Eerst daar God verantwoordelijk. Niet eerst zeggen, kinderen wat
willen jullie? Of gemeente, hoe denkt u erover? En de meeste stemmen tellen,
niet waar. Eén stem telt. Ja, dat is waar. Als je anders
dragen bent, we hebben gesprek met dokter Opthoff, onze vriend. Ik zei mijn jongen, en we waren
het eens, als je in de kerk bent en door genade geleerd wordt,
moet je alleen kunnen staan. Niet waar. Ze hebben me allen
verlaten, maar hij heeft me bijgestaan. Ja, dat, dat bedoel ik. Weet je wat je moet leren tellen?
Op één vingertje. De Heer is bij me, ik zal niet
vrezen, wat zal het mens me doen? Dat is het! En als je het niet doet, kun
je niet staan in de bediening. Word je mensendienaar. Dan ga je bij de meeste stemmen.
Dat is heel zwaar, he? Predikant, u denkt altijd predikantelijk
licht. Dat is heel zwaar! Want deze wil zo, en die wil
dit, en die wil nog wat anders. En u moet leren vragen, wat wilt
gij dat ik doe zo? Dat kan het zijn, dat al de zonen
van de koning gedoogd worden en dat God er nog eentje bewaakt,
die geen verstand heeft en jaar oud is. Want de koninkrijk is
schoon, is er niet van mensen. Nou ja, er zal er van jou wel
niks terechtkomen, zal ook wel. Maar van hem wel. En had nog
een middeltje maar gewezen. Dwaars, lietig en klein zou een
eeuwig onderwezen. Kijken we eens eerst tussen God,
genade heerschappij, maar dan tussen de koning en het volk. Genade. Het is wel rechtvaardig, genade
is niet onrechtvaardig. Genade vraagt om voldaan recht. Kijk, genade is niet door de
vingers zien. Genade vraagt betaling. Het is het oudzaak. Ik ben bang dat we tegenwoordig
zomaar bij geloof beginnen en nooit gestaan hebben voor de
vuurige toren van God. Op dit ogenblik is er in Amerika
een beweging, ik weet niet precies, die terugkeert naar de reformatie. Een kleinzoon van Billy Graham
heeft zich teruggetrokken uit de evangelische bewegingen. En
zegt, ik weet niet precies, ik zeg het met terughoudendheid,
maar wat ik gehoord heb schijnt bijzonder te zijn. Hij zegt,
als de wet niet meer verbreidselt, doet de Theologie geen kracht.
Als de wet niet meer verdoent, is er in de Theologie geen heerlijkheid. Nou zou ik niet gedacht hebben
dat dat daar gebeurde. En mijn zoon zei, vader, ik denk dat het waar is. Dat
God weerkomt met de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze,
niet van de vrome en de nette en de vreedzame. Nee, nee, nee. En kijk, jongen, ik hou niet
van die afsnijdende bedieningen, dat moet je zelf weten, joh.
Maar God snijdt af en hij plant in. En als je niet afgesneden
bent, zul je wel niet ingeplant worden, dat moet je maar rekenen. —Nou ja, maar dat hou ik niet
van je leerjaar, moet je zelf weten, het is de leerdagsschrift. Woude zegt, en toen het gebod
ingekomen is, ben ik bekeerd geworden hier waar. Het is de
zonde wederlevend geworden en ik ben gestorven. Maar, zegt
hij, ik leef, want hij is in mijn dood opgestaan. Christus
alleen betaald, verzoend. Ik ga nog een versje zingen. 124, 1 en 4, 124, 1 en 4, waar
we samen zingen. 124, 1 en 4, waar we samen zingen. Dat Israël nu zijn geblij van
geest, indien de heren, die bij ons is geweest, in het vierde
mond kwamen, haast des vogels als net, dan is die zowaar rechtvaardig
als barbaartig, dan zorgt die voor de kleinste en de minste
van zijn onderdanen, zo'n tweezeventig. Dan slaat hij niet met de vuist,
dan slaat hij eerst zichzelf, voordat hij de kerk slaat. Hoe weet je het, sla mij met
medelijden, gelijk een vader doet. Dat is een echte vader. Kijk, kinderen in de wereld hebben,
dan zeg ik, heren, u kunt ze doodslaan, maar ach, sla ze naar
u toe. Maar doe dit alstublieft niet
zo hard. Mag wel. Want Mute zegt, ze kunnen
beter met gebroken benen in de hemel komen dan met twee benen
naar de hel gaan, zegt hij. Dat is waar. Maar ik vraag toch
altijd aan de neer of die het niet te hard doet. Mag dat wel? Nou ja. Weet je wat ik aan de neer vraag?
Sla ze dan met medelijden naar u toe. Want wie niet geslagen wordt,
komt er niet op, want die lieve kastijtie en hij geestelt de
lievelijke zoon, die die aanneemt. Je kan een vader hebben, die
de heren vreest, is zeer rechtvaardig, hij laat de mensen zonder die
toe, maar voor zonder heeft hij een groot hart, want hij zoekt
het verlorene, jou, het zwakke, Hij is de schutsheer van de weduw
en de wees. Het zal vrees zijn. Weet je wat hij af en toe doet?
Dan doet hij z'n koninklijke keet uit die lompenzakken en
dan gaat hij door de achterbuurt toe. Hoe het met die mens is,
begrijp je? Want hij is koning over het volk
van God en dat zijn arme sionieten. Bestreden en bevochten. En dat is een echte koning. Een echte koning gaat soms incognito
onder z'n volkje wandelen. Het heeft de heer Jezus ook gedaan,
incognito. Hij heeft z'n koninklijk kleed
afgelegd. Hij heeft de kennisstal erin
van de dienstknecht aangenomen. Om nou te zoeken en zalig te
maken naar Floris. Dat is een genadevorst, hè. Je
bent rechtvaardig, hè. Laat de mensen zonder niet toe. Maar één ding. Hij betaalt voor
Sion. Die niet meer betalen kan en
wel betalen wil. Die moet zeggen, ik ben verloren.
Hij zegt, ik zal u behouden. Recht veronder. Recht veronder. Recht veronder. Betaal veronder. Betaal veronder. Laatste penning betaald. Laatste
penning betaald. Zwaar afvaardig. Bestraft elke zonde. Maar voor
zondaren heb je groothaard, komt al het tot mee, die vermoeite
last zijn. Pak met schuld, vermoeid van
de grooterezen, ik zal u rust geven. Zul ik een koning betaamd
ontmoeten? Dan zullen we een heerlijk koninkrijkje
hebben, genaderijkje, genadevorst, gena is in z'n lippen uitge... En weet je, zulke koning ga je
beminnen, ga je gehoorzamen, ga je hoog achter. Echt waar. Die haat je niet hoor. Als je een koning krijgt die
eerst zichzelf slaat voordat hij jou slaat, die ga je niet
haten hoor, die ga je beminnen. Die eerst gekruisigd wil worden
voordat hij u kruisigt, die ga je beminnen hoor, die ga je beminnen.
Want zulke een is mijn liefste, zulke een is mijn, zulke een
is mijn, die zegt ik voor u, de handigste even, die van koninkrecht
wil worden, om krechten tot koninkskinderen te maken. Nou ja, zoudt ge zo'n
vorst niet begeren? Ik waarvoor? Da's de beste vorst,
o heilrijk vorst, o heilrijk vorst! Maar nu komt het op het echt
aan. Kun je het in de vruchten zien. Een koninkrijk moet je in de
vruchten kunnen zien. Dat is altijd twee kanten. Dat is afbraak van het rijk der
duisternis. De ba als dienst en de ba als
altaar worden verwoest. Hoofdpriester, want die Autalia
die heeft heel die dienst van God verzaakt. Dat blijkt later. En ze heeft daar een Baalstempel
opgericht in het Zuidelijke Rijk. En wat gebeurt er nou? Nou trekken al die mensen onder
de genadeeerschappij van de koning, trekken ze die Baalstempels in,
verwoesten die tempels. En, ja, u zult zeggen, dat is
toch vreselijk? Ja, maar gebeurt wat? En die
priester van Baal wordt gedood, al die priesters. Vroeger als je beleidens des
geloofs deed, moest je altijd twee dingen doen. De duivel afzweren
en God beleiden. In de vroege kerk, tweehonderd
jaar na Christus, moest je twee dingen doen. Moest de duivel
afzweren en God beleiden. Dus als je nou genade krijgt
en je bestrijdt niet de valse goddienst, En alle die godontweren
heb je geen gedaan. En het volk dat trok onder de
reedschapij van Jozef, al die baalsdiensten in hem, verwoest. Die zeggen niet godsdienstvrijheid. Hoe jongen, nou kom je in de
gevangenis hoor, nou je dit zegt. Nou ja, dat maar. Maar die zeggen niet godsdienstvrijheid
en iedereen moet zelf maar weten. die houden van artikel 36 van
de Nederlandse looplijn is, dat de overheid een dienaresse gods
is, en dat niemand het recht heeft afgoden te dienen dan God
alleen. Die koning Balthasar, he, van
Daniel, he, die zei nog, dat moet gebeuren, zei hij, want
die God moeten ze dienen. Maar tegenwoordig zeggen ze iedereen
maar het eigen als wij ook maar een kerkje hebben. Ja, ja, ja. En waar is de profeet die opstaat?
in het huis van afgevaardigd, en het recht van koning Jezus
op eist, in Nederland en in Canada. Eend zijn. Niet hoogmoedig. Hm? Als oude dominee Zand vroeger
wet en evangelie preet, was die man niet hoogmoedig, hoor, maar
hij zei wel hoe het was. En dan zat daar die Gerben Wagenaar,
die communist, die zat daar onder en de rest van de halsing giep
weg, want met zand kun je niet leven. Mag nooit niks. Kan niet eens bekeerd worden,
zeiden ze. Maar wij zijn al bekeerd, want we zijn bondelingetjes,
ook ja. En dan ging zand gaan preken
en een heel zaaltje leeg. En Gerben bleef zitten. Die communisten. Zand van die stoel af. En dan
zegt die Gerben, ik ga eens naast je zitten, want we zijn gelijk. Hij zegt, maar ik heb genade
gekregen van de koning. Heb jij ook nodig, Gerben? Die zei niet, wat wij toch een
aardig communist. Die zei, heb jij ook nodig, Gerben,
want ik heb het ook nodig. Die stond te huilen dat Gerben
onbekeerd was, begrijp je? Want die man had zelf genade
gekregen en ook de grootste der zonder kon ook genade krijgen. Want er wordt genade gund, goed
hoor. Ik heb weleens gezegd, maar dat
voel je door natuurlijk, maar ik heb weleens gezegd, in die
liefde kon heel de wereld wel bekeerd worden. Maar God deed niet, want hij
houdt er zijn eigen werk op na. En zijn eigen welbehagen, daar
val ik buiten. Maar kijk, wat mij betreft, als
hij zo een, Een heldwaardige zaligmaak gaat heel de wereld
tot een zaligmaak. Begrijp je? Maar ja, dat is genade
eerst voorbij. Maar dat neemt het niet, dat
is niet de voorzaak, genade om hem naar de wereld te brengen.
Nee! Waaldienst! Vroegst! Nou stijgt voordat wij uit het
kerkje moeten zitten met twintig mensen. Dan gaan we allemaal
een schop in het bijl nemen en dan gaan we die moskee omver
haken. Ik weet het niet hè, of het allemaal
met mij mee zou gaan en of ik wel met u zou gaan. Voelt geweld. Dat moet wel een beetje liefde
en ijver zijn hè. Ja jongens, weet je, we zijn
wereldgelijk vormig geworden, echt maar. De kracht is geweken. Niet met
hoog gevoelendheid. Dat bedoel ik jongens. Tweede, wat Jooie daar doet,
de hoge priester, hij stelt de dienst van de tempel weer in.
Hij stelt de Levite-orders goed, de priester-orders. En in Kronike lezen we, als het
gaat over deze geschiedenis, dat ze brandtoffers offerde. U moet denken dat heel de zuivere
dienst was verwapend. De priesters offerden niet meer,
ja, ja, ze waren nog in dat bijgebouwtje, ja, weet ik wel, maar het was
verwereldelijk. Nou, en hoe ga ik daar het laatst
over spreken, want wat is dat nou, een brandtoffer? Ik zal eens één ding zeggen,
als ge iets van dat brandtoffer verstaat, dan moet ge eerst dit
maar eens leren, dat dat nou uw plaats is op dat brandhandhaar,
onder de eeuwige toren van God. Dat is mijn en uw plaats. Heb
je dat geleerd? Ben je schuldig geworden? Want men stapt tegenwoordig zomaar
erover heen. We gaan weer naar de Pinksterdag
en dan denk je, ja ik moet preken. En ik mag preken, hoop ik nog.
Weet ik niet. Het is genade hoor. Maar ik dacht,
ja die eerste Pinksterdag, eerst zorgens over de uitstorting van
de heilige geest. Het leven ontdekt de dood. Want
die mensen waren vol van de heilige geest en toen zagen de anderen
dat ze niks hadden. De dood ontdekte dood niet, maar
het leven ontdekte dood. Dat moet je altijd onthouden. Dan zeggen ze tegen me, je moet
de dood van de dood separeren, dat kan niet. Het leven ontdekte
dood. Ze waren vol dat geest en ze
zeiden, die mensen hebben wij niks. Dan mochten ze het roepen
of ze ook bekeerd mochten worden. Dat is één. Dan gaat Peter spreken. En dan zegt hij niet, nou mensen,
je hebt geen zorgen meer geloofd hoor, want je kan zalig worden
geprimeerd. Gelukkig niet hoor. Dat is remonstantisme. Die hebben de wet opzij gedrukt,
want die heeft u voor iedereen voldaan. Daar hebben we het niet
meer over, zeggen ze. Altijd die wet. Daarom, de remonstanten, die
hebben alleen nieuwe testamenten. Het oude, dat is nou ouder. Nee, dat niet hoor. Maar gemeen te kijken als God
u dat leert. Als Paulus zegt Jezus en die
gekruisigde moet je streepje zetten onder dat die, en zegt
niet ik, dat was mijn plek. Maar nou, wat wonder, ik heb
mijn plek heen gedwongen. Om nou te betalen wat ik niet
betalen kan, om zalig te maken wat verloren is, en dat ben ik,
zegt hij. Je zegt niet aan die gekruisigd, die zegt aan die
gekruisigd, niet ik. Christus hangt niet aan zijn
eigen kruis, die hangt aan het kruis van de kerk. Neem uw kruis
daar als op. En volg mij, ga ik aan uw kruis,
zegt hij. Man staat niet in de Bijbel.
Wel waar, Simon van Sirene droeg zijn eigen kruis, die Christus
kruis. En toen ging de Heer in Jezus
aan zijn kruis. Heb je dat niet geleerd? Nooit recht afgesneden, daarom
niet vrijgemaakt. Nou, waarom doe je nou zo hard
praten? Ja, dat kan ik ook niet zeggen. Ik kan ook weer zachtjes
praten, hetzelfde. Maar mensen, ik meen het ernstig. We leven in de tijd van de rechtvaardiging
van de vrouwen. Ik ben wedergeboord en misschien
word ik gerechtvaardigd. Dwaal hier! Het eindigt niet bij de rechtvaardiging,
het begint bij de rechtvaardiging. Van de goddeloze god. En ik weet, dit zal me geen vrienden
nalaten, het maakt me niks. Ik weet het van mijn heren. Nu
sta je oomhoedig te praten. Niet! Niet oomhoedig te praten. Had ik het niet geleerd, dat
zou ik het niet leren. Want het is een leer die tegen
alle vlees is. Maar ik weet één ding, hè, die
jij gekruiseld hebt." En toen begonnen ze hard te roepen, wat
moet ik nou doen om ze aan te houden. Die waren randzalig geworden. En toen zei hij, twee dingen
bekeert u. Het berouwen. Zeg maar tegen
de heren, kruisel mij maar. Ja, wat zei hij dan dan? En geloofd. En dan zegt hij,
nee, ik voor u gekruiseld, joh, dat is zalig worden. En ik weet niet anders onder
u dan te weten, christen zijn niet gekruisigd, m'n lieve kruiskoning."
Weet je waar ik het meest bewin? In z'n littekens had ik kruis. Een oude kerkvader, weet je wat
hij zei? Hij zei, de kerk steedt zich
in de wonden, Christie, om vertroost te worden met de wonden van Emmanuel. Als een duif in de steen rotst,
Christus, te schuilen. Bernardus van Clervaux U leest
die oude kerkvaders niet, hè? Zou u weleens moeten doen, hoor. Het wordt een strijk, hè? Want
je houdt allemaal bij die moderne mensen. Moet je maar eens laten
zakken, die moderne mensen. Deze spreken en die spreken,
gemoed maar eens weer bij de oudvaders en de ligaan. Dat leert
genoeg en ook. Bernardus van Clervaux De duif die schuilt in de steenrots
kreeg. Had ge ook een schuiling gewonden? Ja, ik geloof het ook nog, moeder,
een schuiling gewonden. In de steenrots kreeg ze die. En toen heeft hij z'n achterste
delen laten zien. Mozes, die schuld er ook in,
hè? Tweede omgang, hè? De tweede voorbij gegaan, hè?
Weet je wel? En toen riep de heren, genade,
genade, barbaat, barbaat. Toen werd de dienst hersteld
voor brandstofverdiensten. Dat is het altaar Godze. Dat
is de rechtbank Godze. Weet je wat de rechtbank Godze
is? Daar wordt een rechtvaardige
verdoemd en een godlozige rechtvaardige. De rechtbank Godze is een andere
rechtbank dan de rechtbank van u. —Komt, laat ons te samen richten,
zegt hij, al zijn je zonden als gelaak ik zal te wit maken doen,
zo rood als karmoer, zei ik. Versta je me eigenlijk? Zei God dat altaar gebonden geworden
en vrijgemaakt, omdat hij uw plaats vernam, en Abram op Genesis
22 draaide zich naar achteren. En hij zag een ram verwakt in
de struiken, en hij omhelgde hem en slachtte hem in zijn zoons
plaats en in zijn plaats. Dan moet je nog schuldig worden
aan het offer van Christus, bloedschuldig, genadeschuldig. Hij zegt, sla mij maar dood,
zei hij, mag jij leven? Nee toch, ja. Die geige kruisigde op dat u
leven door zijn kruis. De leer van de rechtvaardiging
van de goddelozen worden onder ons gesteld. Het is een leer tegen alle vlees,
want u wilt stap voor wijze bekeerd worden. Als God je bekeert, ga naar beneden. Haal die uit de huil en zet die
op een steen. Waren met vaste tred, die jammerkool,
om te wijten, vrienden in Nederland, die kwijt aan m'n gemeente, oude
gemeente, medeluisterd. We hebben gezegende tijd gehad
onder deze leer. Jonge mensen tot bekering gekomen,
en wat ze in Nederland nodig hebben, hebben ze hier ook nodig. En ik kan het niet, en het is
tegen m'n vlees. Maar het vereerlijkt God en het
maakt zielzalig, op rechts gronden, door de arbeid van Christus alleen,
naar Hermijn, en dan zeg ik, zie het lam Gods, dat de zonde
er weer op wijneemt, zit hier nog een wereldling met zonde,
dat uw zonde weggenomen wordt. Zie toch op hem, ach heren, verleen
me dan een ogen des geloofs! Want dat kan ik niet geloven,
dat is voor mij te groot. Maar God doet geen kleine dingen. Hij doet alleen grote dingen. Grote wonden, grote wonden. Ik ga weer naar huis. Welk huis? De kleine jochie koning, hè? Je zou toch zeggen, waar beginnen
ze dan, hè? Wie zet nou een kind op de troon? Want je was aan het beginnen
aan de God op de troon. En hij gebruikte een klein kindje. En hij nog na de kind kon hij
nooit groter dan een klein kindje op de troon. Ja. Want het is de kindertjes
gegeven erfgenaamd te worden van het Koninkrijk der hemelen. Om Jezus willen ademen.
2 Kings 1:1-21
| Sermon ID | 612142330529 |
| Duration | 1:03:58 |
| Date | |
| Category | Midweek Service |
| Bible Text | 2 Kings 1:1-21 |
| Language | Dutch |
© Copyright
2026 SermonAudio.