00:00
00:00
00:01
Transcript
1/0
Onze Hulpe, aan onze enige verwachting,
sta in de naam des Heren Heren, die hemel en aarde geschapen
heeft, die trouwen houdt en eeuwig leeft, en die nooit laat varen
enig werk, dat zijn hand begonnen is. De genade zij U en vrede
van hem die is, en die was en die komen zal, en van de zeven
geesten die voor zijn troon zijn, en van Jezus Christus, die de
getrouwe getuige is, de eerstgeborene uitgedoden, en de overste van
al de koningen der erde. Amen. Meente wij zetten ons samen zijn
vlucht met het zingen van Psalm 108, de tweede vers, Ik zal,
o Heren, u wonden daan. U roem de volken doen verstaan,
want Uwe goede Tierenheid is tot de eeuwen uitgebreid en wat
te verder volgt. MUZIEK Toever, wacht even voor de kieren. ZEGENING EN MUZIEK MUZIEK Met de hulp der zeren vervolgen
we de bijbelezing uit het boek Esther en vanavond aan de orde
is het tweede hoofdstuk waar u godsheilig en onfeilbaar woord
al dus leest en vooraf de twaalf artikelen. Ik geloof in God en Vader, de
Almachtige, Schepper des hemels en de aarde, en in Jezus Christus,
zijn enig geboren Zoon, onze Heere, die ontvangen is van de
Heilige Geest, geboren uit de Maagd Maria, die geleden heeft
onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald
ter elle, Ten derde dagen wederom opgestaan van de doden, opgevaren
ten hemel, zittende terecht rand Gods, de Almachtige Vader, van
waar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Ik geloof in een heilige geest,
ik geloof in een heilige, algemene christelijke kerk, de gemeenschap
der heiligen, vergeving der zonden, een wederopstanding des vlees'
en een eeuwig leven. Amen. Esther 2 Na deze geschiedenissen,
toen de grimmigheid van een koninga's veros gestild was, gedacht hij
aan Vastie, en wat zij gedaan had, en wat over haar besloten
was. Toen zeiden de jongelingen des
konings die hem dienden, Men zoeken voor den koning jonge
dochters, Maden schoon van aangezicht, En de koning bestellen toezieners
In al de landschappen zijn koninkrijks. Dat zij vergaderen alle jonge
dochters, Maden, schoon van aangezicht, Tot de burg Susanne, tot het
huis der vrouwen, Onder de hand van Ege, des Konings kameling,
Bewaarder der vrouwen. En men geven haar, haar verseerselen,
En de jonge dochter, die in des Konings oog schoon wezen zal,
Wordt de koningin in steden van vastie. Deze zaak nu was goed
in de hoven des konings, en hij deed al zo. Er was een Joodsman op de Burg
Susan, wiens naam was Mordegai. Een zoon van Jahir, den zoon
van Shimi, Den zoon van Kis, een man van Jemini, Die weggevoerd
was van Jeruzalem met de weggevoerden, Die weggevoerd waren met Jehonia,
den koning van Judah, Den welke nebukadnezer de koning van Babel
had weggevoerd. En hij was het, die opvoedde
Adessa. Deze is Esther, de dochter zijn
zoons, Want zij had geen vader nog moeder, En zij was een jonge
dochter, schoon van gedachten. en schoon van aangezicht. En als haar vader en haar moeder
stierven uit Mordegai, ze zich tot een dochter aangenomen. Het geschiede nu, toen het woordes
konings en zijn wet rugbaar was, En toen vele jonge dochters samen
vergaderd werden op de burg Suzan, onder de hand van Egei, werd
Esther ook genomen in des Koningshuis, onder de hand van Egei, den bewaarder
der vrouwen. En die jonge dochter was schoon
in zijn ogen, En zij verkreeg gunst voor zijn aangezicht. Daarom haaste hij met haar de
versierselen En met haar de delen aan te geven, En zeven aanzienlijke
jonge dochters Aan te geven uit het huis des konings. En hij verplaatste haar en haar
jonge dochters Naar het beste van het huis der vrouwen. Esther
had haar volk en haar maagschap niet te kennen gegeven, want
Mordecai had haar geboden dat zij het niet zou te kennen geven. Mordecai nu wandelde alle dag
voor den voorhof van het huis der vrouwen, Om te vernemen naar
de welstand van Esther, en wat met haar geschieden zou. Als nu de beurt van elke jonge
dochter naakte, om tot hen koning Aasveros te komen, Nadat haar
twaalf maanden lang naar de wet der vrouwen geschiet was, Want
al zo werden vervulde dagen naar versiering, Zes maanden met middenolie,
en zes maanden met specerijen, En met andere versierslende vrouwen. Daarmeede kwam dan de jonge dochter
tot een koning, Al wat zij zeiden, werd haar gegeven, dat zij daarmede
ging uit het huis der vrouwen tot het huis des konings. Des avonds ging zij daarin, en
des morgens ging zij weder naar het tweede huis der vrouwen,
onder de hand van Saschas. Den kameling des konings bewaarde
er bij wijven, zij kwam niet weder tot een koning, tenwaarde
de koning luste tot haar had, en zij bij name verroepen werd. Al de beurt van Esther de dochter
van Abigail, Den oom van Mordecai, Die hij zich der dochter vernomen
had naakte, Dat zij tot een koning komen zou, Begeerde zij niet
metal, Dan wat Egei, des konings kameling, De bewaarde der vrouwen
zeide. En Esther verkreeg genade in
de hogen van allen die haar zagen. Al zo werd Esther genomen tot
een koning als Veros, tot zijn koninklijk huis, in de tiende
maand, welke de maand té bed, in het zevende jaar zijn strijks. En de koning beminde Esther boven
alle vrouwen, en zij verkreeg genade en gunst voor haar gezicht
boven alle maden. En hij zette de koninklijke kroon
op haar hoofd, en hij maakte haar koningin in de plaats van
vastie. Toen maakte de koning een grote
maaltijd, al zijn vorsten en zijn knechten, de maaltijd van
Esther. En hij gaf de landschappen rust,
en hij gaf geschenken naar zijn koningvermogen. Toen ten andere
maal maten vergaderd werden, zo zat Mordecai in de poort des
konings. Esther nu had haar maatschap
en haar volk niet kennengegeven, gelijk als Mordecai haar geboden
had. Want Esther deed het bevel van
Mordecai, gelijk als toen zij bij hem opgevoed werd. In die
dagen, als Mordechai in de poot des konings zat, werden Bichtan
en Teres, twee kamelingen des konings, van de dorpelwachters
zeer tonig, en zij zochten de hand te slaan aan den koning
Ahasverus. En deze zaak werd Mordegai bekendgemaakt,
en hij gaf ze de koningin Esther kennen, en Esther zei dat den
koning in Mordegais naam. Als men de zaak onderzocht, is
het al zo bevonden, en zij beiden werden aan enig half gehangen,
en het werd in de chronieken geschreven, voor het aangezicht
des konings. Laat ons des Heren aangezicht
zoeken. Ja, Heren, het gaat alles naar
uw bevel. het minste dat er geschiet in
de wereld is in uw raad. Zo mogen we ook weer welkom eten,
onze geliefde vriend en broeder uit Malawi. Zo mochten we opmerken dat u
in het gezin van de ouderling een kleinkind hebt gegeven, moeder
bewaard. Zo mochten we opmerken dat mevrouw
Mol toch enigszins versteld is en spoedig thuis hoopt te komen,
zo u het geeft. Zo mogen we opmerken dat we nog
zijn. O eeuwig wonder in het heden
der genade, het liefelijk heden der genade, de welaangename tijd,
zegt uw woord in de dag der zaligheid. en oorsmeken u, of u uw woord
wilt toepassen, spreken tot onze zielen. Maar ook oren geef om
te horen en hart om op te merken, want opmerken is beter dan het
vet der ramen. Gods volk moet opmerken. Merk op mijn ziel wat antwoord
God u geeft, Hij spreekt gewis, tot elk die voor hem leeft. En
ach, help ons in den uitleg, mochten we nog een middel wezen
van U, tot de grootmaking van Uw naam en tot de zaligheid van
Sion, dat geliefde Sion, dat ge bemind, bemind hebt en altijd
beminnen zult met een eeuwige liefde. Ach, Heren, we zijn niet
waardig, En ik kan dat wel zeggen, maar het is echt waar weer. Het
zijn niet alleen woorden. We zien op onze nauwe making
een schande. Wat hebt ge toch dat ge op ons
ziet tot op heden. Maar u doet het niet om ons,
kan niet. Om uw volk doet u het ook niet,
dat hebt u gezegd. maar ik doe het om een grote
naamswille. Nou, dank aan het Heer. Ik zal
uw room de volken doen verstaan. Wat leven toch in een bange tijd. De grootste angst is de afgoederij
in de wereld en in de kerk. Ach, zal er nog een terugkeer
wezen, Heren. Begin dan bij ons alsjeblieft. Gedenk hen, die in noodverkeer
en zielennood, gedenk de jonge mensen, en het ene meisje, dat
verpleiden is hoop te doen. Ach, hoeft ze niet alleen te
staan. Zegen de ganse gemeente, Kinderen,
kleinkinderen, achterkleinkinderen, kleine baby's in de moederschoons. Denk de studenten veraf en dichtbij. De kerk, ach onze kerk, allerminste
kerkje. En toch een adulmpje, waar zondaren
zalig zullen worden in de gemeenschap met de meerdere David. Een adullam,
een mond om in te wonen. Ontferm U onze, om Jezus' wil. Amen. Gemeente Esther moest koningin
worden, dus vast die moest aftreden. Nou dat kun je besluiten. Het
eerste hoofdstuk vast, die moet aftreden. Door de dwaasheid van een dronken
man. We hebben dat uitvoeren behandeld. En ik heb u gezegd, en ik geloof
dat de Joodse uitleggers gelijk hadden, omdat ze opstand pleegde
tegen haar man zogenaamd, want ze wou niet tot schande gemaakt
worden. Dus opstand en waarschijnlijk
heeft ze dat niet overleefd. En toen is die koning Xerxes
was het, Xerxes, Aesferos is het. Maar Xerxes, Xerxes was
de koning, de Persische koning, de koning van de Beden en de
Persen, die Europa wilde veroveren, maar door de Grieken verslagen
is, teruggeslagen. De Bosporus overweer. Griekenland stond aan de poorten
te wachten voor Europa, dus de persen konden niet veroveren. En na vier jaar, dat is de tijd,
misschien drie jaar, nadat hij die veldslagen verloren had,
ziet u dat Arsferos of Xerxes een liederlijk leven gaat leiden. Een hele hoop vrouwen, drank,
Maar goed, wat gebeurt er nu? Hij krijgt spijt. Ik zeg niet hij krijgt maraud,
dat krijgt godsvolk alleen. Had hij het me niet gedaan. Ik dacht, ach wat heb ik toch
gedaan met Vastie. Het was toch zo'n aardige vrouw.
En heb ik haar daar tentoon willen stellen. En ja, heb ik een wet
in mijn dwaasheid getekend. Mens is dood. De wereld krijgt spijt, he? Gods volk krijgt berauw. Net
even anders. Berauw eigent de straf. Spijt zoekt herstel. In je eigen weg. Behoorlijk. Nou, dan krijgt hij een advies.
We gaan daar over nadenken. En wat er gebeurt, dat is een
mooi een jodinnetje, een godvrezend
jodinnetje, wordt koningin. Nou waarom? Wij weten het eind
van het begin, omdat de Bijbel dat zegt. Een volk in het leven
houden, en ik heb u vorige keer gezegd, de joden waren verspreid
over dat hele rijk en al die joden moesten gedood worden. Dat zei Haman. En waarom was
dat nou bovenal zo erg? Christus moest niet geboren worden. Een aanslag op God en Christus. En wat gebruikt de heren nu?
Dan moet vast die weg en dan moet Esther in de plaats om als
een middel in de hand van de heren middelijkerwijze een groot
volk in het leven te behouden. Ofwel, Middelijke wijs, de Heer
er zorgt dat Christus geboren moet worden en de zaligheid en
de eer van zijn naam zal worden aangebracht. Nou dat vindt u
hier. En dan vindt u twee belangrijke
dingen. In de eerste plaats zeg ik al, zij wordt koningin Esther. En in de tweede plaats ziet u
dat Gods voorzienigheid zo gaat dat Mordecai twee mensen ontdekt
die de koning willen vermoorden. En dat wordt in daarnalen geschreven
bij de geschiedschrijvers. Later wordt die koning s'nacht
wakker en dan gaat hij dat lezen en dan zegt hij, wat moet ik
aan die man doen? Maar luister vriend, als ik het
eind weet, wij weten in de Bijbel het eind, maar als je nou in
die wegen wandelt, weet je het eind niet. Daar roep je natuurlijk uit,
dat roept Boddegeist straks als dat meisje weggehaald wordt.
uit zijn gezin. Zou God zijn genaar vergeten,
nooit meer van ontverming? Je weet de gemeente, God verbergt
vaak de uitkomst van de wandeling, hoewel die zeker is, zegt Abgorsto,
omdat we niet zouden zien op het einde, maar op hem die de
weg gaat met de kerst. En de kerk loopt vaak met duizend
noden, duizend zorgen, maar als je het einde van de geschiedenis
ziet, dan moet je zien, God heeft alles zeer goed gemaakt. Hebben we toch gezongen, ik zal
u weer uw wonden daan, uw roem de volken doen verstaan. Maar
na deze zul je het verstaan, hè, als die beproeving is, is
geen zaak van vreugde, hè, als dat meisje straks weggehaald
wordt uit het huis van Mordegai, dacht je dat die man blij was,
dacht hij dat hij geloven kon dat hij koningin zou worden,
geloof je dat? Nou, ik geloof het niet, kon die man niet geloven. Wij kunnen Gods wegen soms niet
verstaan, het is moeite in onze ogen, soms, hè, maar nou is God
souverein, Hij doet wat Hij wil. en hij doet nooit verkeerd, nooit
verkeerd, en dwars door de dwaarsheid van de mens gaat hij toch zijn
eigen heerlijke weg. Ach gemeente, had ge toch een
weinig vertrouwen in deze God, want hoe donker ooit Gods weg
mogen wezen, Hij ziet in gunst op die hem vrezen. We gaan eerst nog zingen. 33, 5 en 6 Drieëndertig vijf en zes. We wouden samen zingen. Geen ding geschiet er ooit gewissen. Het hoog bevel van zeremond en
het zeggen, maar alto's wijze raad en zeren, wat eeuwig stand
heeft alto's kracht. MUZIEK ZANG EN MUZIEK De koning kreeg spijt. En mensen die spijt hebben proberen
altijd door te gaan in hun eigen weg. Ze zeggen, nu heb ik spijt,
maar dat kan ook niet helpen. Spijt, heb ik al gezegd, dat
is wat anders dan berouw. Dan houd je weg op. Dan houd je weg op. Die horen
hebben ze allemaal een wegkemer bekijken. Bij berouw houd je
weg op. Dan word je doodschuldig. Dan zonder hier erbuiten. Maar ja, tegenwoordig hebben
ze een brouw en dan zijn ze er binnen. Geloof je het zelf? Ik
niet hoor. Nee, niks van waar. Een gemeente, ja spijt. Nou zeg ik in echte, we weten
een oplossing. U zoekt vast een knappe vrouw. Ze zeiden niet, u zoekt wel zeker
een aardige vrouw of een godvrezende vrouw, nee hoor, de wereld zoekt
knappe vrouwen. Mijn groep moeder zei, dat is
nog minder dan sucherij, sucherij is namaak koffie. Knappheid, zeiden ze, is ook
zo. De Bijbel zegt, als je een vrouw
ziet, dan moet je er inwendig aan zien, inwendig. neemwendige, zachtmoedige en
stille geest, is God aangenaam, dat is een vrouw. Trouwens, ik
geloof dat Esther zo was, maar kom maar op. Nou wel, gemeente, dus, wat zegt
u, we gaan allemaal ambtenaren aanstellen in honderdzevenentwintig
landen, en die moeten alle knappe meisjes hier naar het paleis
brengen. Moet wel heel bijzonder zijn,
ze moeten Goed huur hebben en knap gezegd, dat is de wereld
he, nog zo hoor. Er verdienen wat vrouwen, maar
geld mee, tot schande van haar vrouw zijn. Maar ja, daar moeten we maar
doorheen hoor, dat blijft zo hier. Wonder dat onze vrouwen
anders zouden. Nou wel, ze liepen. En dan moeten die vrouwen onder
voodij van Hegai, het was een joenik, een onman de man, die
was gesteld over die jonge meisjes om de schoonste uit te zoeken. Maar ja, de koning moest kiezen. En dat meisje dat schoon zal
zijn in des konings ogen, die worden dan koningin in de plaats
van vastie. Je huwelijk is wel kapot, maar
misschien krijg je een betere vrouw. Onzin. Maar ja, weet je wat nou
zo mooi, ik ga het gek vinden, maar je kan het ook niet helpen. De mensen dwaasheid is gods wijsheid. Is niet waar? Hij ziet hier alles,
ziet wat een dwaarsheid van mensen, en dat is nou Gods wijsheid. Dat is nou zijn weg, want wij
denken wel dat we God tegen kunnen staan, maar de Heere zegt, ik
ga toch over alles, ik regeer alle dingen. En dan komt straks
een koninginnetje dat de Heere vreest. Nou had je het toch nooit
gedacht, in zo'n goddeloos rijk, een koninginnetje dat de Heere
vreest. Een gemeente, dat is eerst. Dus ze gaan al die mannen zoeken
naar de knapste messies. En dan tweede, er was een man,
een joodsman. We hebben weleens gezegd in het
boek Esther komt de naam van God niet voor, dat is niet waar. Die komt hier voor. Want Mordegai
is eigenlijk een persische naam. Hij was er ook geboren wellicht,
net zoals Esther. Na ballingschap, ze waren in
de tweede Babylonische ballingschap meegenomen uit Israel, uit Juda,
naar Babel, Nebukadnezar. En geliefde, er was een man,
ze staat er, Een Joodsman. Er staat dus een Joodsman. Wat is Jood? Dat is een Jehoeda. En wat is een Jehoeda? Dat is
een Godlover. Die wordt de naam van God ingenoemd
in Jood. Daarom is hij ook de Koning van
de Godlovers. Die Kruiskoning is een Koning
van de Godlovers. Koning der Jood. Als je wat je Jood hoort is Jehoeda.
betekent Godlover. Godlover. Dus in dat land was
een Joods man, waarschijnlijk daar geboren, 113 jaar men acht,
dat is 105 jaar geleden, is zijn familie in ballingschap meegenomen
door Nebuchadnezzar en die heet Mordechai, dat is eigenlijk een
Persische naam. Kleine man betekent het. Nou,
dat is ook weer zo'n mooie naam, hè? Zo'n kleine man met grote
genade. Dat is zo'n mooie. Kleine mannen soms hebben grote
genade, grote mannen hebben geen genade, soms, begrijp je wel. Nou, moet je daar nou een speling
op maken? Ja, staat hier, maar dan ga ik een kleine man. En
wel, die woonde daar ook in de hoofdstad, Burg Susan. En er
was een zoon van Jaair, de zoon van Simei, de zoon van Kis. Sommige
uitleggers zeggen, hier worden de hoofdnamen genoemd uit het
geslacht van Mordegai. Wie was Kis? De vader van Saul. Simei was een Benjaminiet die
David vloekte. Simei. En dan die man, een voorgeslacht. Weet je wat ik hier nou in zie?
Wij denken weleens dat hele geslacht is weg, niet waar. Er is een
overblijfsel naar de verkiezing en hij heet Mordegai uit het
geslacht van Kis, uit het geslacht van Saul, een man die God vreest. Want Gods vrezen kun je niet
erven, kun je alleen maar krijgen, van God krijgen. Ze gaven de
wedergeboorte. Nou, hij was weggevoerd in een
ballingschap met Jehonia, dat is de tweede ballingschap, de
koning van Juda, welke Nebuchadnezer de koning van Babel had weggevoerd. Hij woonde met een nichtje van
hem. Ja, Mordecai had tot dochter
aangenomen, in ieder geval in de verzorging, een meisje en
dat heet Hadassah Merte en in het Persisch Ester of Stel, Ster. En ja, dat meisje, wij weten
niet hoe oud, 14 tot 16 jaar. moest de maagd zijn en is een
bijzonder knap meisje. Weet je wat ik nou ook zie? Weet
je waarom God dat meisje zo knap gemaakt had? Dat ze koningin zou worden. Ze
is een christelijke koningin in een goddeloos rijk. Kijk, nou kun je niet zeggen
dat meisje had zichzelf zo knap gemaakt, nee toch? Dat die gave had God er gegeven. om in de dwaarsheid van deze
mensen weg zijn weg te gaan. De zorgen dat het meisje koningin
zou worden in plaats van vasting. De gemeente, die mensen die aangesteld
waren, die moesten die meisjes meenemen hoor. Ze werden niet gevraagd, wil
je dat? staat letterlijk in het woord, in het hebreeuw staat
dat ze ze namen. Dus als ze zo'n mooie meisje
zagen, dan kwam die man van die ambtenaar en die zei, dat meisje
dat moet mee. Het is een knap meisje. Dat moet misschien uitgezocht
worden, want de koning zoekt een koningin. Dan ga ik daar direct van wat
van zeggen. Die meisjes die één keer meegenomen
waren, kwamen nooit weer thuis. Want er staat in de geschiedenis,
als de koning haar niet trouwde, ging ze naar het bijwijferhuis,
bijvrouwenhuis. Dus die meisjes die werden meegenomen,
dat wist iedereen, die kwamen nooit bij het huis, die kwamen
in het huis van de bijvrouwen, van de koning Aferos. Dat moet je wel bedenken, he. Dus al die meisjes, tranen met
huiden. Doen die zo? Ja, wel, tranen
met huiden. De Joden zeggen, de Talmud zegt,
dat Mordecai probeert heeft dat meisje te verbergen. Maar het lukt hem niet. De politie
komt erachter. En ze wordt gearresteerd. En ze moet mee naar de burcht
Suzan. Eén advies geeft Mordegeider,
en dat is belangrijk dat dat hier gezegd wordt, hij zegt je
moet niet vertellen dat je een jodenetje bent. De joden waren in die tijd al
gehaat. U kent de geschiedenissen van
Daniel, de jongelingen in de vurige oven die werden gehaat
want er was een voortreffelijker geest in hen. Joden worden wereldwijd
gehaakt en dat bedoel ik niet alleen joden naar hun vlees heen.
Geestelijke Godlovers die door God zijn vrij gemaakt worden
in de wereld gehaakt. En dan zegt Mordecai, hij zegt
vertel dat nou niet dat je een jodennetje bent. Ik had er eigenlijk wat moeite
mee. Maar ook dat is naar de raad
gods. Hij zegt want als je dat vertelt
Dan weet ik niet. Nee, niet doen. Komt wel uit. Maar niet vertellen. Niet direct zeggen, ik ben een
Jodin. Als je het je zou vragen, dan zegt hij niet, je mag het
niet zeggen. Als het vragenwijze, dan zeg
je, je moet het zelf niet vertellen. Nogmaals, dat moet u hier al
weten, want u ziet aan het einde van de geschiedenis dat er een
moordplan klaar ligt om al de Joden te vermoorden. Het is een haat tegen het Joodse
volk. om de God van de Joden. Psalm 2 zegt het, waarom we denken
de volk ijdelheid, het is om de heren en zijn gezalfde. En als u haat hebt in uw gezin,
omdat u de heren vreest, dan moet u maar rekenen, dat hoort
zo. Nou, en u niet beter te praten
man. Als u haat hebt in uw bedrijf,
omdat u op zondag niet wilt werken, dat hoort zo. Je moet maar bang worden als
de wereld goed van je praat. Want ze hebben mij gehaat en
ze zullen ook u haten, zegt hij. De wereld, he. De wereld heeft
mij gehaat en ze zullen ook u haten. Komt niet altijd uit. Is een
tijd dat dat bedekt ligt, maar soms dan krijg je tijden van
vervolging. Dan bast dat eruit, he. Dat gebeurt
straks met Hamel. Goed. Nou, daar komen ze aan. En dan
moet hij dat meisje meenemen. Dag oom, dag kind." Er was een
geestelijke bande, want later, als de koningin is, dan zegt
ze, als dat gevaar loopt en ze moet naar de koning en wordt
die Gouden Scepter toegeruimd, dan zegt ze, bidden zegt ze met
al het volk, onze God is machtig ons te verlossen. Dat is een meisje dat de Heere
vreest. En dan moet ze naar een harem. Ze hebben niet, als ze het gevraagd
hadden, ze zei blijf liever bij mijn oom. Niks te zeggen. Want God zegt, jij moet daarheen. Dat wist ze niet. Dat wist ze
achteraf. En dat hebben we vanavond nou
gezegd. In ons leven, wij weten het eind
van de dingen niet. Dat weet God. Wij kijken tegen
de onderkant aan. Maar God kijkt van de bovenkant. Wij weten dit ding in ons leven
niet, ik niet. Ja, weet je dat dan niet? Nee,
ik weet het niet. Ik weet het wel eens. Maar ik weet één ding, hoe donker
ooit Gods weg mogen wezen. Toch Gods weg. Donker hier, he? Mordegai en Esther. Hij ziet
in gunst op die hem vrezen. Maar hoewel m'n ziel dit weet,
m'n voeten waren bij kans uitgegleden in m'n leed, ook dat. Kijk, gemeente, één ding, hè?
God doet niks verkeerd, hoor. Dwars door alles heen. Dan kun je zeggen, die doet het
niet goed, en die doet, en ik doe het niet goed, dat doet allemaal
niet goed, God doet het goed. Hij ziet in gunst die hem vree. Denk erom hoor. Welgemeente, dan gaat ze daar
naartoe. Nou, dan zie je direct iets moois.
Die man die die vrouw moet bewaken, die heeft een gunstige blik op
dat meisje. Ze krijgt de mooiste kamer. Ik denk dat hij bij zichzelf
denkt dat meisje moet het wezen. Henai heet die man. Ze krijgt de mooiste kamer en
ik maak het maar kort en ze krijgt zeven dienstmeisjes die haar
de hele dag moeten helpen. En ze krijgt een kamertje boven
in het paleis, het mooiste kamertje. Hij ziet ingunst op die hem vrezen. Ik denk ook aan Jozef, hè, als
die dan in die gevangenis komt te staten, en God wende zijn
goede tierenheid tot hem. Ja. Dan wordt hij van, dan wordt
hij weer opziener in de gevangenis, en hij wordt leider daar in het
huis van Potiphar, en dan gaat het weer de diepte in. Maar hinder
niet, Gods goede tierenheid was met hem. Bij haar ook. Een gemeente, alle die er zagen,
dat is weer zo mooi. Ze werd ook genomen onder de
hand van de koningin. De jonge dochter was schoon in
zijn ogen en zij verkreeg gunst. Er staat een woordje eigenlijk,
genade. Weet je wat ik daar nou uit opleid?
Het was geen opschepster. Het was een christin met een
nederige gestalte, en dan krijgt ze genade, gunst. Kun je begrijpen? Zij stoten niet af. Als je aan Esther gevraagd had,
nam ze altijd tenminste plaats in. Hoe weet je dat? Nou, ze
luisterde naar de oom en later ook naar die henai, hoe ze zich
aan moest kleden. Ze had geen pretenties. Nou,
als je een kind van God bent, En je bent op je plek, dan heb
je maar één ding te doen, letten op God. En als je nou genade kent, dan
heb je toch ook geen pretenties. Dan loop je niet te zeggen, ik
ben een jodennetje, en een christen, en jullie zijn allemaal niks. Nee, dat zeg je niet. Dan zeg je, ik ben niks. Jullie
zijn misschien meer dan ik. Dat is genade. dat die hele idie
zegt, tjow, wat is dat een aardig meisje, knap ook, maar aardig
gunst. Daarom haaste hij haar met versieringen,
eten en drinken, en ze moesten een jaar lang met myrtenolie
en met andere dingen, en ik kan dat allemaal niet zeggen, ze
moesten helemaal gebaten en gewassen worden, want Nou, die moddergij dat is wat,
die blijft alleen thuis. Weet je, die ging daar zitten
treuren. Die zegt, nou is het afgelopen. Kan niks meer aan doen. Niet waar hoor, nee niet waar. Weet je wat die moddergij ging
doen? Die ging de hele dag lopen langs dat hek bij de poort van
dat vrouwenhuis. Elke dag staat er, jong bij jong,
dag bij dag, om te kijken of je iets kon horen van Esther,
hoe het met haar ging. Dat was geen luie man, dus niet
een man die zegt, nou ja, daar kan ik ook niks aan doen, nou
ja, nou, vooruit, ik zie haar misschien nooit meer terug, maar
doe dat maar, dan moeten we. Nee hoor, nee. Nee. En wellicht hebben die zeven
meisjes, hebben door het hek, Met hem gepraat, of bij de poort. En hij zei, het gaat goed hoor. Hij zei, bid voor de roer, zeg
het maar, zeg maar. Hij wilde weten of ze vrede had,
shalom, of het er goed met haar ging. Gedenkt de gevangenen of gemeden
gevangen waren. He? Moordegij zat dus klaar ook in
die gevangenis. Echt waar? Die zeiden niet, nou
ja, er is niks meer aan te doen. Het is niet waar. Nou, hoe moest het dan wel, na
een jaar dan moesten ze op een gegeven moment als ze aan de
beurt waren, s'avonds naar de koning en de volgende dag weer. Maar ja, ik zal het er maar niet
over hebben. En dan werden ze van dat mooie
huis van Henai naar het Bijvrouwenpaleis gebracht, kwamen er nooit meer
uit. En als de koning niet meer vroeg
nader, ja dan bleven ze altijd bij die bijvrouwen zitten, nooit
meer naar huis. Behalve als de koning nader vroeg,
dan moest ze terugkomen. Vind ik ook mooi hè, is wel een
geestelijke trek in. Als de koning naar je vraagt,
de tweede keer. Jozef openbaarde zich de tweede
keer aan zijn broeders, de eerste keer met toren, de tweede keer
met gnade en gun. Als God in je leven komt, komt
hij de eerste keer met toren. Luther zegt dat is een oneigelijk
werk. Dan komt hij de tweede keer in
Christus met genade en gunst. Het is wet en evangelie. Ja, maar je hoort ook al niet
meer aan beginnen. Beginnen direct met de evangelie.
Niet waar hoor. Hij zoekt het verlorenen, de
wereld overtuigen van zonde gerechtigheid en oordeel. Nou ja, een werd het maar, hè? Nou, al die meisjes die mochten
kiezen hoe ze naar de koning gingen, mochten alle sieraden
uitzoeken, kleren, jurken, haar, dracht, weet ik het. Deze ook. Maar dat Esther, die
Esther, die had niks te commanderen. Weet je wat me nou voorkomt? Abram en Lot. Nou, dominee, spring
je nou maar zo over. Ja, spring even over. Dan zegt Abram, kies jij maar,
zegt hij, want God kiest voor mij. Nou, als ik Abram geweest was
in mijn natuur, had ik gezegd, heb mij dat groene stukje land
en de woestijn mag jij wel hebben. Lot, uiteindelijk ben ik hier
naartoe gereisd, het was mijn roeping. De dwaasheid van Lot was Gods
wijsheid, want Abram had de woestijn en het kind van God kreeg straks
de hemel, een stad met fundamenten, die de bouwmeester God is. Nou weet je wat dat meisje zegt?
Ze zegt, zegt u het maar meneer. Weet je wat dat meisje dacht? God regeert. Zegt u het maar
meneer, wat ik aan moet doen. Ik heb eigenlijk niks in te brengen.
Ik ben hier gebracht. Ik ben onder uw heerschappij
gesteld, zegt u maar wat ik moet aantrekken. Dat doen we niet
gauw, hè? Nee, zelf in handen houden. Maar die Esther, die zegt, ik
hoef het niet in mijn handen te houden. Vind je het niet mooi? Vind ik mooi. Want meestal wil je het zelf
in handen houden, je eigen zaligheid, je geld en je money en alle dingen
meer. en proberen zo mooi mogelijk
te worden om het zelf te krijgen. Nou dat meisje, dat zei, ja,
meneer zegt u maar wat ik allemaal moet doen dan, wetende dat God
alle dingen regeert. En dan is de beurt aan Esther. De dochter van Abihael, de oom
van Mordegai, die zich tot dochter aangenomen had, dat zij tot de
koning zou komen. En ze begeerde niet met al. Mooi hoor, mooi he? Niet met al. Misschien wou ze niet eens sieraad
hebben. Ja, nou wat hij gee des konings
kameling, ik heb het je al gezegd, de bewaarde der vrouwen zeide,
en Esther kreeg genade in de ogen van alle die er zagen, zegt
Jo. Jo. Wees nog maar eens zingen, honderddrieëndwintig
één en twee, honderddrieëndwintig één en twee. Ik hef tot U, in de hemel zit
mijn ogen op en bid. Geef ons gena, geef ons gena,
o Heer, en red ons tot Uw eer. 1 En 2 Psalm 123 MUZIEK. Heer, droogheid van de zaken, die onze naam droeg. Heren, ons om u heen, weken en
winkel, Wij gaan met hem wonen, onze
Heer, Zang en muziek Ik heb eigenlijk een vraag uit
geestelijk leven. Mag ik eens vragen? Mag God doen
met je wat hij wil? Mag hij dat? Mag hij je brengen in het gevangenhuis
en niet? Mag dat? Kijk, we kennen die tekst van
mooi gebruik, hè? Alle dingen medewerken ten goeie,
maar dan houden we allemaal van goeie dingen, hè? Maar mag God
nou ook moeilijke dingen op je wevens, veroordelende dingen,
het oordeel in je leven, mag dat? Mag dat? Moet je niet zomaar
ja op zeggen. Maar wil je ook wel naar een
kerk gaan waar je de buiten geprikt wordt, of hou je de lieve buiten
erin geprikt? Om erbij te horen, weet je, dat
vind ik zo mooi van die Esther. Zesjaars, die Heenai mocht het
bekijken, bij een wezen. Esther keek een beetje hoger. Ze zegt, die Heenai, die man,
die is ook in Gods hand, hoor. Maar die kan zich nog roeren,
nog bewegen. Zonder de wil van mijn hemelse
vader, zegt de katechisme. Kan je nog voor je vijanden bidden
of niet meer? Kijk, wij kunnen allemaal die
zware waarheden zo maar noemen, maar je moet er maar in zitten. Tegelijk de ogen van een maagd
zijn geslagen op de hand van een vrouw. Zo zijn mijn ogen. Reddeloos en radeloos, schuldig
en schandvol, hem geslagen. Dat is de kerk, dat is de kerk.
Die hebben geen commentaar, hè. Die zeggen niet nou, ik wil dit
nog en een beetje rode poeien daar en nog een beetje rode daar.
Nee, hoor. Bijt mijn god eens gewoon. Kunnen we zeggen? Maar heilig zijn, o God, uw wegen,
niemand spreekt uw hoogheid tegen. Ja, maar dat zou... Dat had die
vastie toch niet? Mijn ziel is immers stil. Staat in die psalm, he, spartelend
kind, moet gewiend worden, ge, aan de moederborst afgebracht,
wordt bitter, en dan spartelt ze totdat ze stil is. Stil onder God, is de kerk. In haar beste oogenblikken, want
ze hebt oogenbliklessen, maar weet te spartelen. Niet met God
eens. Nou, niet waarom. Dan heb je
het niet breed dat ik met God niet eens ben, hè. Hij is niet
breed, hoor. Want die met God strijden, hebben
geen vrede. Goed, we gaan verder. En zo werd Esther genomen. Ze
staat ook niet z'n ging. Schots leiding, ze werd genomen,
dat vind ik zo mooi weer, je moet lezen op woordjes, tot de
koning uit Zeeuws. In welke de maand is, de tiende
maand, tenminste dat is in onze tijd de maand Teber, dat is in
januari, december, dat is in de winter. Het zevende jaar van zijn rijk.
Drie jaar was het toen hij dat feest had en heeft gevochten. Dan hebben ze een jaar, drie
jaar, zevende jaar van zijn koninkrijk dat hij koning was. En de koning vond Esther knap,
nu waar. Ook wel. En de koning bemindde Esther. Wat lief! Vindt hij mooi? Kijk, dat is nou de Bijbel. De koning zei in het jonge jongen,
ben je toch een knap meisje? Maar terwijl die erachter ging,
ik vraag waar zijn jonge mensen zijn aan het trouwen, Ik zei,
waarom hou je nou eigenlijk van die mannen? Ze zei, ja, ik weet
het ook niet. Ik zei, nee, zo is het. Godsregering. Zelfs in de wereld is natuurlijke
liefde nog een gaven, maar liefdeloosheid is van de neuvel. Hij beminde haar. Af. Die andere meisje vond het ook
waar, maar hij beminde haar. Dat was zijn oor. Esther, wat heeft u er aan gedaan?
Niks. Wat heeft u er aan gedaan, kind?
Niks. Ik was er eigenlijk heel niet
voor dat ik hier zit. Nee. En dan weer twee mooie woorden. En ze verkreeg genade. En gerstheid. Genade en gunst. Dit woord gunst
is eigenlijk liefde. Gods volk krijgt eerst genade
en dan liefde. Begrijp je dat? Als je genade krijgt, nu ga ik
dat weer geestelijk bekijken, maar dit staat in de mijbel,
dus het staat er niet voor niks. Het natuurlijke is een afschaduwing
van het geestelijke. Als God je in Christus genadig
is, en dat oordeel van je afneemt, was de vrucht liefde, vrede,
die alle verstanden boven gaat. Nou, het natuurlijke is een afschaduwing
van het geestelijke. Nou, ik heb net gezegd, ik zei
toch, Esther was een eenvoudig meisje, kleingemaakt, omdat ze
een grote God had, een Godlover. En nou boog die koning nader
over. Hij zegt, kind, wat ben je toch
eenvoudig. Ja, koning, wat is nou? Ze kreeg zijn gunst, genade. Weet je wat die koning in haar
aantrok? Haar kleinheid, haar onwaardigheid. Dat is altijd een sieraad, een
zachtmoedige en stille geest, zegt Peters, is een sieraad voor
een vrouw, niet die grote monde, die te gevecht. En dat die koning, die wordt
ingenomen. Weet je wat ze dacht? Ik ben
voor God nog mensenwaardig. Krijg ze gunst. Wie het nou niet meer waardig
is, wordt een voorwerp voor genade. Ook in het geestelijke en waar
genade in Christus heerlijkheid. Daar heb ik niet over dit. Het natuurlijke is hier. Het
is een beeld van het geestelijke. Het huwelijk is een vereniging,
is een geheimenis tussen Christus en de kerk. Natuurlijk is een
afbeelding van het geestelijk huwelijk. En daar gaat genade
voor op. Ik ben zwart, toch liefelijk. Zwart ben ik. Toch liefelijk. In Christus genade. En dan liefde. En liefde is gemeenschap. Gunste, dus genade. Door de liefde zoek je gemeenschap.
Kijk, de liefde zegt niet, nou ja, maar nou ben ik verkeerd
en nu kan ik mijn eigen weg gaan. Nee, als er liefde is, zoek je
gemeenschap. Dat is ook in het huwelijk zo.
Als er geen liefde meer is, zoek je ook geen gemeenschap. Kun je het met jezelf aardig
goed vinden. Moeilijk verweluwen soms. Twee dingen. voor zijn aangezicht, boven alle
manen. En weet je wat hij doet? Hij
stuurt er niet eens weg. Die anderen, die stuurden die
eerst weg, en hij stuurde er niet meer weg. Want als de heer
je trouwt, stuurt hij je nooit meer weg, ook geestelijk niet. En hij zegt tegen die dienaren,
hij zegt de kroon halen, zegt hij. Bekend, zegt hij, kom, zegt hij,
kom. En dan komen die dienaren met
de kroon van vastie en die zet die zo die nacht op haar hoofd,
koningin. Waarom? Voor die koningnee, om straks
als een middel in Gods hand te zijn, opdat het volk, ja, Christus,
naar de menselijke geboorte, niet vermoord zal worden voordat
hij geboren is. In Juda, in Bethlehem, in Jeruzalem
zou gekruisigd worden, maar niet vermoord voordat hij geboren
is. Worden tegenwoordig veel kinderen
vermoord voordat ze geboren worden. En zo werd Esther genomen tot
de koning Aesferos tot zijn koninklijk huis in de tiende maand, de maand
Tebed, zevende jaar van zijn rijk. En toen maakte de koning een
grote maaltijd voor alle worsten, ook zo mooi hè. Weet je, die
woorden die kom je tegen in Nieuw Testament. Wie maakte een grote
maaltijd? Levi, Matthäus. want die was aan Christus gehuwd
geraakt. En al die mensen moesten horen,
er staat een voor Esther, voor de ster, voor Esther. Kreeg meteen naamsbekendheid. Boven allemaal, En hij gaf de
landschappen rustig, ze hoefden niet zoveel belasting meer te
betalen, dat betekent het eigenlijk. Hij verlaatte de belasting, zo
blij was hij. En hij gaf geschenken naar de
koningsvermogen, die mensen die macht hebben, die kregen allemaal
een cadeautje, zo blij was hij. Hij vroeg niet om een cadeautje.
Tegenwoordig had hij trouwe vragen over een cadeautje. Hij moest studeren en Socrates,
dat is een Griekse wijsgeer, die zegt, ik wil wat geld geven
dat mensen bij mij komen luisteren, zei hij. Want wat ik te vertellen heb
is zo belangrijk, hij zei, ik wil wat betalen als je komt luisteren. Weet je wat die koning doet,
die is zo ongelukkig, al die schatten, hij zei, je moet allemaal
een cadeautje hebben, zei hij. Ik geloof ook, als er nou eens
iets in je leven gebeurt van dat geestelijke huwelijk, dan
weet je wat je dan zegt, weg wereld, weg schatten. Je kunt niet bevatten hoe rijk
ik wel ben. Ik heb alles verloren, maar in
mijn bruidegom verkoren wiens eigen ik ben. Allee, maar dat
is natuurlijk hè, dat is natuurlijk, dat is helemaal niet geestelijk,
maar het is een beeld van het geest. Dan hoef je niet wat te krijgen,
maar dan wil je alles wel geven. Een huwelijk wil graag alles
geven. Een echt huwelijk geeft. Vorige keer gezegd, weet u nog,
van die man. Je staat niet om te krijgen,
je staat om te geven. Nou ja, valt niet mee. Ik zeg
het toch niet dat het meevalt. Nou, de gemeente. Dat is het derde van dit hoofdstuk
en dan gaan we kort over. Dan worden er weer meisjesvergaderd
voor bijvrouwen. Die man hier, deze man, deze
man, deze man. En dan staan daar twee van die
wachters, dat zijn uineuge onlande mannen, die staan weer bij dat
vrouwenhuis en dan hoort hij een gesprek. Mordegai, want die
zit er altijd, luistert hij wat daar gebeurt. Hij wil op de hoogte
blijven van Esther, hè. Hij leeft mee, hè, alsof hij
medegevangen was. Dat is Mordegai. Geestelijk en
lichamelijk, plaatselijk en geestelijk, leeft hij niet mee. En wat hoort
hij? De Joden, zegt hij, hoorden mensen
in de Tartaarse taal Het waren buitenlanders en hij kende die
taal, hoorde die een plan maken, want ze hadden een hekel aan
koning Aresferus, ze wilden hem vermoorden. Ook dat moest geschieden. Gods hand is in alles. Want straks moet die koning s'nachts
die analen lezen en komt een namordigheid voor, want Esther
heeft niet gezegd dat het een droom was. Gemeente, als ik dit zie, dan
ben ik toch een dwaas om vraagtekens te zetten achter Gods werk. Dan ben ik toch een vijand. Als ik dit nu in de handen zie,
hoe de Heer in zijn grote wijze Maar hebben die mensen dat terwijl
ze daar waren, dat allemaal zo gezien? Nee, want je kijkt tegen
de onderkant van de dingen aan, God kijkt tegen de bovenkant
van de dingen aan. Maar daarom zingt ook de kerk.
De kerk zingt niet, heren maak mij de wegen, wil mij met mij
gaan, nee. Heel veel mensen he, dan maken
ze een besluit en zeggen, wilt u met me gaan? Fout! Wat zegt Zalm 25? Weet je, ik
moet voor mezelf spreken hoor, dus ik zit net bij je naast in
de bank. Heere, hij maakt mij uwe weer. Gaat uw pad ook door de zee? Geen golven of stroom, maar het
gaat door de zee. God spaart je vlees niet. Dan zeggen ze, een kind van God,
ben jij niet ziek? Ik zei, wat vertellen? Job was
een kind van God en hij stierf bijna aan de ziekte. Je hebt van die pinkstergroepen
die zeggen, als je meer geloof had, dan zou je niet ziek zijn.
Douaze! Wie het meeste geloof heeft,
wordt het meeste ziek. Heskia! Die man met zweren op de puinhoop
voor het huis van de reken, dat is kind van God! Zou die man
eens niet gemoppert hebben? Denk ik wel. Want weet je wat
hij zegt, ik had ook wel wat van dat eten willen hebben, waarom
krijg ik dat eigenlijk niet? Die had dezelfde zondige lusten
als die rijke man die ervan had. Een arm mens heeft dezelfde lusten. Zelfs een kind van God heeft
die lusten. Maar de Heer houdt ze klein. Nou, dat is moeilijk. Ik zeg
toch niet dat het makkelijk is. Weet je wat Job zegt? Gezijd
maar als een loerende beer, zegt hij, is een leeuw die me verscheurt. Ik weet wel dat ik zoveel dingen
ga preken naar de Bijbel, maar als u dat niet verstaat, dan
verstaat u zelfs het lijden van Christus niet. Mijn God, mijn God, moet de voetstappen
drukken. Waarom hebt U mij verlaten? Om
U nooit meer te verlaten, daarom verlaat Ieder zo. Hoewel gevreesd dat U verlaten
zal. Hebt U dat nooit gevreesd? Dan heb Je niet breed als Je
het vrezen moet. Alles mis, alles mis. Nou goed. Nou, dat hoort hij dan. En Esther hij zegt dan om die
meisjes, zeggen we even aan de koningin vertellen, er is hier
een moordcomplot hoor. En hij neemt die twee namen. En dan gaan ze dat uitzoeken. En dan blijkt dat zo te zijn
en het duurt niet lang of die twee mannen, die kwart-tarzen,
die hangen aan de boom, worden gekruisigd. En als men de zaak onderzocht,
is het zo bevonden, en zijn wij de beiden aan een galg gehangen,
staat hij eigenlijk aan een hout. En het werd in de chroniek geschreven,
wordt aangezet, de koning moet straks niet meer slapen kunnen,
dan gaat hij het lezen. En dan gaat hij een man wel doen
en denkt Haman, u kent de geschiedenis, maar dat wist Mordegai nog niet
hoor, waarom? Dan denkt Haman dat hij een gunst
krijgt, maar dat was voor Mordegai, o jonge jonge jonge. Gemeente, ik weet u weg niet,
die weet God. Maar alle dingen moeten medewerken,
ten goede, die naar z'n voornemen geroepen zijn. En weet je wat
nou mooi zal zijn? Als je je hand op je mond mag
leggen en je nood aan God klagen, dan zal die antwoord op zijn
tekken. En dan begrijp je niet de wegen
die je gaan moet en de weg die God met je gaat. En waarom moet
ik mijn man zo gauw kwijt? En waarom overkomt me dit? En
het ging zo goed en nou... Zitten hier nog mensen die met
God wisten? Weet je waar dan voor mens bent
die begint te zingen dit, twist met mijn twisters, van binnen
zitten ze, twist u er eens mee, want die misselijke twisters
van binnen met u. Wil spies rondas en schild gebruiken,
om gevreesd geweld te vruiken. Gemeente, ik weet op de weg soms
niet meer hoor, maar die is er wel. Maar ik wil altijd de weg
zien, maar ge moet zien op hem die u leidt op de weg. Dat is heel wat anders. Want dan kom je vaak in zulke
wegen waar het helemaal dood loopt. Want God gaat altijd wonder wegen,
kijk, hij het kan bekijken, nooit meer wonder, maar hij het niet
meer kan bekijken, en God baalt er door de woeste ware, brede
stroom om zijn bad, naar je God lopen. En daarom moet je nou
al die dingen meemaken, ik ook. Nou, ik had zus gedacht en zoon,
en, nou, nee, Wie met God wist, heb geen vrede
hoor. Zul je met God wist en vrede
hebben, zegt de Bijbel, je maakt het jezelf ellendig. Nou zie je het, mooi he, mooi
he. Esther, vast je moet sterven. Esther wordt koningin. Mordegai krijgt een paar oren
om te luisteren en het wordt opgeschreven in de sanalen, want
straks Maar we zien dat God die hele weg leidt tot zijn eigen
eer. En Gods weg is soms in de duisternis
en zijn voetstappen worden niet gekend. Maar het is altijd een
goede weg. Niemand spreekt uw hoogheid tegen. Ja maar dominee, u weet niet
wat voor kruis ik heb. Dit kruis zal wel groter zijn
dan de God van je kruis, dat zal wel, maar denk het niet hoor. Wie achter mij wil komen, verlogen
is zichzelf. Neem eens een kruis dadelijks
op. En volg mij. Om Jezus' wil. Amen. Ach heren, Ik durf u nama's niet
meer te noemen, want ik ben wel geopenbaard en wij allemaal hier
als zelfbeloners en zelfzoekers. En als de weg tegen gaat, dan
mopperen we tegen mensen en tegen uwen. We bidden misschien niet eens
meer zulke momenten. Bekeer ons, heren, maak ons tot
niet, ja, ik kan d'r wat zeggen, maar ik kan d'r nooit komen,
tenzij u erkomt. Hoewel ik niks ben, zegt Paulus,
niet, niet, hoe ik ben geworden ben, zegt die pen niks. Ach, heren, vergeef mijn schulden,
mijn schaamte, mijn schande, en leer me u achterna, want uw
weg is volmaakt, zal wachten. Dan maak je het niks aan, o heren,
vergeeft u mij al m'n mopper en m'n opstand. Wilt u dat hartstikke brief doen
met mij al die mensen hier? Mogen ze dat nou beleven? Om Jezus wel, alleen zo kan het,
om Jezus wel, want anders verlies je het nooit. Maar om u het wel,
uitgenade. 46 VIERDE VERST TOT SLOT 46 VIERDE
VERST TOT SLOT De Heren, door God der Levens, scheuren ze met
ons, hoed ons in gevaar! IV. VERST 46 TV GELDERLAND 2021. MUZIEK. ZANG EN MUZIEK U mogen tenzien gaan in vrede
naar uw huis ontvallende met biddende harten de zegen des
Heeren, die u in zijn naam op u leggen, de Heeren zegen u,
en Hij begoede u. De Heeren doen zijn aanschijn
aan uw lichten, en zij, uw genadigde Heeren, verheffen zijn aanschijn
over u, en geven u vrede. Amen.
God's wegen zijn hoger dan onze wegen
Series Het boek Esther
| Sermon ID | 33017216345 |
| Duration | 1:30:28 |
| Date | |
| Category | Midweek Service |
| Bible Text | Esther 2 |
| Language | Dutch |
Documents
Add a Comment
Comments
No Comments
© Copyright
2026 SermonAudio.