00:00
00:00
00:01
Transcript
1/0
Onze hulp en onze enige verwachting. Sta in de naam des Heren Heren,
die hemel en aarde geschapen heeft, die trouwen houdt en eeuwig
leeft. en die nooit laat varen enig
werk, dat zijn hand begonnen is. De genade zij u en de vrede
van hem die is, en die was en die komen zal, van de zeven geesten
die voor zijn troon zijn, en van Jezus Christus, die de getrouwe
getuige is, de eerstgeborene uit de doden, en de overste van
al de koningen der erde. Amen. Meent u, wij zetten het samen
zijn voort met het zingen van Psalm 127, het derde vers. Zo gaat het, elk die God bemint,
die kinderen voorbrengt tot Gods eer, verkrijgt een erfdeel van
de Heren die zich met kroost gezegend vindt, die zich oprecht
en dankbaar toont, ziet al zijn zorg naar wens geloond. Maar ik denk dat we het tweede
vers zingen. Als u mij niet kwaalt, ik neem tweede vers. Dan heb ik dat fout gedaan, dat
neem ik graag op morgen. Zang 127, tweede vers. Vergeef
als Gorges vroeg geslaafd. Dat past beter bij het onderwerp. MUZIEK. MUZIEK. MUZIEK. De lezing uit Gods heilig en
onfeilbaar woord vindt u opgetekend in het boek Job en we lezen dit
avonduur het 32ste hoofdstuk. Job 32, vooraf de 12e artikel. Ik geloof in God en Vader, de
almachtige Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus,
zijn enige geboren Zoon, onze Heere, die ontvangen is van de
Heilige Geest, geboren uit een maagd Maria, die geleden heeft
onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nederverdaald
ter elle, ten derde dagen wederom opgestaan van de doden, opgevaren
ten hemel, zittende terechter aan God, des Almachtigen Vader,
van waar hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Ik geloof in een heilige geest,
ik geloof in een heilige algemene christelijke kerk, de gemeenschap
der heiligen, vergeving der zonden, een wederopstanding des vleesjes
en een eeuwig leven. Amen. Job 32 Toen hielden de
drie mannen op van Job te antwoorden, terwijl hij in zijn hogen rechtvaardig
was. Zo ontstak de toren van Helu,
den zoon van Barachiel, den buzid van het geslacht van Ram. Tegen Job werd zijn toren ontstoken,
omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God. Zijn toon ontstak ook
tegen zijn drie vrienden, omdat zij geen antwoord vindende, nog
dans Job verdoemde. Nog hele u had gewacht op Job
in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij. Al dan hele u zag dat er geen
antwoord was in de mond van de drie mannen, ontstak zijn toon. Hierom antwoordde Heliu, de zoon
van Barachiel den Buzid, en zeide, Ik ben minder van dagen, mag
hij Liden zijd stok houden? Daarom heb ik geschroomd en gevreesd,
u Liden mijn gevoelen te vertonen. Ik zeide, laat de dagen spreken,
en de veelheid der jaren wijsheid te kennengeven. Zekerlijk de
geest, die in den mens is, En de inblazing des onmachtigen,
Maakt den lieden verstandig. De groten zijn niet wijs, En
de ouden verstaan het recht niet, Daarom zeg ik, hoor naar mij,
Ik zal mijn gevoelen ook vertonen. Ziet, ik heb gewacht op jullie
der woorden, Ik heb het doorgewend tot jullie der aanwerkingen,
Totdat gij redenen uitgezocht had. Als ik nu acht op u vergeven
heb, Ziet, er is niemand die op overrijden. die uit jullie
zijn redenen beantwoorden. Opdat gij niet zegt, wij hebben
de wijsheid gevonden, God heeft hem nedergestoten, geen mens. Nu heeft hij tegen mij geen woorden
gericht, en met jullie woorden zal ik hem niet beantwoorden.
Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer, Zij hebben de woorden
van zich verzet. Ik heb dan gewacht, maar zij
spreken niet, Want zij staan stil, zij antwoorden niet meer. Ik zal mijn deel ook antwoorden,
ik zal mijn gevoelen ook vertonen, want ik ben daar woordenvol. De geest mijn buiks benauwd mij,
ziet mijn buik is al de wijn die niet gehopend is. gelijk
nieuwe lederen zakken zou hij pesten. Ik zal spreken, al dat
ik voor mij lucht krijge, ik zal mijn lippen openen en zal
antwoorden. Ach, dat ik niemands aangezichts
aanneme, en dat een mens geen bijnamen gebruike, want ik weet
geen bijnamen te gebruiken. In kort zou mijn maker mij wegnemen,
Dat zover. Laat ons dit zere aangezicht
zoeken nog. Heren, dat het niet kwaad zij
in uw ogen dat gons onderwinde om tot u te naderen. Ach, dat gons dan zelf bedekte,
ook in de wedergebeden met uw lieve zoon, de biddende en dankende Hoge
Priester, want gelijk in het Oude Testament het volk op het
voorhof bad, nam Gij dat reupwerk in een gouden schaal en bracht
het tot Uw Vader. Indien gedand Uw Vader iets bid
in mijn naam, het zou geworden. Daarom bedek ons met U, biddende
en dankende Hogepriester, opdat we naderen tot de troon van uw
majesteit slechts in Hem. Want gij neemt niemand aan dan
alle die in Hem rusten. Aag Heren, ontferm U onze dit
avontuur, het onderwerp is niet eenvoudig, en toch kinderlijk
eenvoudig. Wij maken het evangelie moeilijk,
maar U zegt, het is voor de kinderen. Want de zulke zullen het koninkrijk
der hemelen beërven. Die wijs zijn in eigen oog zijn
dwaas, maar die dwaas zijn maakt Gij wijs, want de wijsheid is
bij U. en de gerechtigheid en de heiligheid. Ach heren, bidden kunnen we niet,
gelijk het woord. En als we denken, weten we het
helemaal niet meer. Maar die geest heeft een apostel
bid voor de kerk, in de kerk, met onuitsprekelijke zuchtingen,
die bid naar God, want U bedoelt zichzelf. Dat is één. Twee, voor de heilige. want die hebt geverkoor en bemind
van eeuwigheid en die gaat geen de tijd trekken en thuis brengen. Ach heren, gedenk ons dit avontuur,
gedenk ziek en eenzamen, bedenk aan mevrouw Goud teruggekomen
in Canada. U weet alle dingen, dat er hopen
zij op u, voor tijd en eeuwigheid beide, gedenk ander, weduwe wezen,
gedenkt die ons lief zijn waar ook in het buitenland, het werk
der zending en evangelisatie af. Heren, ik vraag u wel om, maar
u zorgt ervoor. En dat laatste woordje van dat
gebed van u, dat is de waarheid. Amen. Want u zorgt voor uw eigen
eer, uw eigen antwoord, Uw eigen verhoring en Uw eigen zaligheid,
want U bent de zaligheid. Die God is onze zaligheid. Dat is zo Heer. En dan de vrucht, wie zou die
Hoogste Majestheid dan niet met eer biedprezen. Ach, verleen
ons dat in Hem. Die biddende en dankende Hoge
Priester, verzoen ons, gedenk niet meer aan wie we zijn en
wat we doen, maar gemocht dat bloedstrijk aan de dorpels, de
zij- en bovenkosten van ons hart, want als ge bloed ziet, gaat
ge toch voorbij, dan wordt het Pasen. de bloed, de geest van
Christus. We vragen u dat uitgenade. Amen. Toen hielden die drie vrienden
op. De leer van de drie vrienden
is de leer der wet. En de leer der wet heeft altijd
deze grondslag. Oog om oog en tand om tand. Of om het anders te zeggen, wie
goed doet, goed ontmoet. En wie slecht doet, slecht ontmoet. Er is een Heer die beloont het
goede en straft het slechte. Maar geliefde vrienden, wij verstaan
niet meer tenzij God er aan ons ontdekt. dat bij ons geen goed
woont en dat er niemand goed is, toch niet één. En als de heren zo doen naar
rechts, dan zegt die psalm, wie zal dan voor u bestaan, kan niet
bestaan, ik heb geen bestaan voor God. Maar Job rustte niet, en ik kom
erop terug, op een wettische gerechtigheid. Dus Job rustte niet op doen en
laten, van de wet. Wij kunnen wel zeggen, ook Job,
wist één ding. Hij had geen goed, was niet goed. Dat heb je ook over geklaagd
in die eerste hoofdstukken. En ik geloofde dat God hem tegen
was. omdat hij zo'n verdorven natuur
had. En u weet dat hij zijn geboortedag
vervloekte, dat was eigenlijk niet in de eerste plaats opstand
om dat, maar niet in de eerste plaats het was, dat hij zo'n
verdorven natuur had en dat hij niet waardig was nog door hem
gedragen te worden. Dat moet u wel recht verstaan. Job vroeg niet om zelfmoord,
maar hij was niet waardig. dat de hemel hem dekt en de aarde
hem nodig. Een gemeente, ja, ik zei, hij
steunde niet op een wettische gerechtigheid, maar hij steunde
op een evangelische gerechtigheid. Dat is zo mooi met die lofzang
van Zacharias. Wat staat er dan? heiligheid en gerechtigheid,
ofwel gerechtigheid en heiligheid. Dat we zouden wandelen zonder
vrezen, al de dagen van ons leven, dat is niet mijn heiligheid. Dat is niet mijn gerechtigheid
als door de wet, maar dat is ingeschonken gerechtigheid en
ingeschonken heiligheid door de Devangelie. Dat is een volmaakte heiligheid
en een volmaakte gerechtigheid. Op dat we al de dagen van ons
leven zegt Zacharias, die opgang uit de hoogte. Het is een zon
die van boven komt. Bij ons gaat de zon altijd naar
omhoog. Maar de hemelse zon die komt
van boven naar beneden en dat staat in de opgang uit de hoogte. Van de hemel naar de aarde, die
gerechtigheid. Welgemeente, die gerechtigheid
is een volmaakte gerechtigheid, is een volmaakte heiligheid. Daarom zonder vrezen te wandelen,
al de dagen van ons leven. Als ik dat tegen de mensen zeg
tegenwoordig, dan zeggen ze, zijt u wel goed wijs. Nou, het is een van tweeën, gezijd
onder de wet of onder de genade. geleefd van uw ijzerwerk en dat
brengt u naar de hel, of geleefd van de werken van Christus en
dat brengt u naar de heen. Meer is er niet. Laat heel die
God niet eens maar praten, dat is geen cent waar. Nou wel, het was nou, die drie
vrienden die konden Job niet overtuigen dat hij een zonder
was. Want ze zeiden u hebt gezondigd
en daarom overkomt u dit allemaal. En ze hebben dat één keer geprobeerd
en twee keer en ze hebben het alle drie geprobeerd. Maar in dat eerste verstaat toen
hielden die drie mannen op van Job te antwoorden terwijl hij
in zijn ogen rechtvaardig was. Ja hij was ook rechtvaardig. Maar niet door de eigen werken,
maar door de gerechtigheid van Christus. Maar verstond die mensen niks
van jou. Nooit afgesneden, nooit ingerend, nooit vrijgemaakt. Dus die die vrienden veroordeelden. Nou dan kunt u al Gods volk wel
veroordelen. Er is er niet EEN die rechtvaardig
is, die goed doet, geen EEN. Maar er is maar EEN gerechtigheid
Romeinen, die red van de dood is, de gerechtigheid krijgt die.
Ze konden door de wet niet ontstaan. En dan moet je lezen. Dan ga ik eerst zeggen wie Elu
is, een beetje zijn namen. Maar dan ontstakt de toren van
Elu, de zoon van Barachiel en Bezit, van het geslacht van Ram
tegen Job. Nou, dus die verdedigd Job ook
al niet. omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde
dan God. Dat is een stuk. Dat hij zijn eigen ziel meer
rechtvaardigde dan God. Job, zo'n man, zo'n beproefde. De toren omstap van Elie. En dan straks ook tegen die drie.
Maar laten we eerst maar zingen 132 en 3. 132 en 3. Waar we samen zingen. Zoals jij in het recht wilt treden,
dat is de kerk, hè. Dan zingen we toch de wetten.
Ook gaten staan ons ongerechtig, ik dacht. Maar nee, dat is verheving. Altijd ben ik geweest. en daarom
ik blijf den heren verwachten mijn ziel wacht ongestoord en
wat er verder volgt. MUZIEK MUZIEK. MUZIEK. Aan het einde van de eeuw, Aan
het einde van de eeuw, Dat is dan de vierde. De refreinde hebben hem verdoemd
en vervloekt en als een hypocrite en schijnheilige veroordeeld.
En gezegd dat hij wel verborgen zonden zou hebben, anders zou
dit alles niet zijn overkomen. Job geeft als antwoord dat de
goddelozen vaak voorspoed hebben. Net andersom. Hij zegt aan de
rechtvaardigen die zeggen, psalm 37, psalm 73, David, ik kan alle
voorbeelden noemen. Mijn bestraffing is er elke morgen. God kast tijd die die liefheeft
en een geestel die hij aanheemt. Het scheen net andersom te wezen. Het is niet andersom. Want zogen
de kasteiding verdraagt, dan gedraagt zich God jegens u als
zoenen maar in dien gezonder kasteiding, zei ik, beste vriend. Maar zei ik, geen een basterd,
laat God u lopen. Bemoeit u zich niet met u. Ik heb de vaders des vleesjes
wel tot kasteiders gehad, zegt de Apostel, in de Hebreeuwe brief
van Gij ontzaagt hem, wilt ge dan niet veel eer de vader der
geesten onderworpen zijn leven? Want hij kasteit ons tot ons
nut. Kind van God, dat wel. De gemeente, dan proberen ze
je op steeds van zonder te overtuigen. en om tot schuldbeleidnis te
brengen. En ze zeggen, als je dan schuldbeleidnis doet best,
Job, dan zal het wel beter gaan met je. Er is iets dat je niet
beleidt. Wel meer hebben ze eigenlijk
niet te zeggen, en ze proberen het de een naar de ander als
een grote schijnheilige Job voor te stellen. En dat hebben ze weer gedaan
in hoofdstuk 31, en dan gaat Job over zijn ellende praten. Toen hij onder de kasteiling
was, werd hij gesmaat en gehoond, en de mensen die hem vroeger
haatten, werden nu zijn lachers uitlachers. En dan in 31, dan verdedigt hij
zich weer. En dan zegt hij bijvoorbeeld
de vreemdeling overnachten op straat, maar ik opende mijn deuren
naar de weg. Hij zegt zeker, ik heb mijn ogen
verbond gemaakt. Nou dan vertelt hij alles weer
en we hebben vorige keer gezien, ook in dat vorige hoofdstuk 29,
dan heeft hij het over ik en mij. Ik en mij. Dan verdedigt hij eigenlijk zichzelf
tegen Uw vrienden die hem beschuldigen van ongerechtigheid, en dan gaat
hij spreken over gerechtigheid, ik en mijn. Ik ben nooit verblijd geweest,
zegt hij, in de verdrukking van mijn haters. Echt woord. Ik zou dat allemaal
kunnen uitleggen, ik doe dat eigenlijk nou niet. Als u maar
dit onthoudt, en dat is elke keer weer de zaak, Job verdedigt
zich met vruchten van genade tegen schijnheiligheid. Hij zegt,
dat is niet waar, mijn leven getuigt van andere dingen. Een verbond met zijn ogen gemaakt,
ach, ik begin daar toch weer aan, maar ik wil dat eigenlijk
niet doen. Dus Job, wat doet hij nu? Die
verdedigt zich tegen de vrienden die hem beschuldigen van zonde,
met de vruchten van genade. En het is wel waar dat de Heer
zegt, heb jij op acht geslagen op mijn knecht Job. Want niemand
is op aarde gelijk Hij, een man oprecht, vroom God, vrezender,
wijkender van het kwaad, dat weet ook God. Er waren vruchten, dus niemand
op aarde dan Job. Dus Job verdedigt zich, en ik
zeg het nog maar een keer, met een godzalig leven tegen de beschuldigingen
van hypocrisie, van schijnheiligheid. En daarom wordt Elihu, zoon van
Barachiel, ten bezit van het geslacht van Ram, met toren ontstoken
tegenop Ram, omdat hij zijn ziel meer rechtvarende, dus meer op
genade van gerechtigheid die hem geschonken is beroept, dan
op God te beroepen. Op Christus gerechtigheid. Hij beroept zich op de vruchten
in zijn leven van genade. Maar hij wijst weinig of bijna
niet naar hem die hem genade verleende. op de vruchten van heiligmaking,
om maar een zwaar woord te gebruiken, op zijn godzalig leven, maar
niet op God die hem rechtvaardigde, die hem vruchtbaar maakte. Want uit hem, door hem en tot
hem zijn alle dingen. Weet je wat Job eigenlijk doet,
en straks ga ik erover een uur praten. Hij beroemt zich op genade. Hij zegt, mij is genade geschiet
in de vergeving der zonden en in de heiliging van mijn leven. Hij verdedigt zich met een godzalig leven. Dat had
die. Zeker had die dat. Laat ik even teruggaan wie die
Elihu is. Elihu betekent... Ik vertaal die naam. El, dat
is God. Elihu, Eli, mijn God. Elihu is Hij. Hij is mijn God. Dat is de naam. God is mijn God. Hij zei niet
God is God. Zijn naam was God is mijn God. Ewi hoe? Eel. En dan ga ik dat
nog wat verder uitleggen. Dat woordje eel is rechter. Zijn rechter was zijn God. Kijk, dat is een kind van God.
Die kan zeggen mijn rechter is mijn God. Elie, eel is rechter. Elohim is een meervoudsvorm en
eel is de enkelvoudsvorm en de eel is altijd God die schiep,
de Elohim, maar die ook rechter is. Dit is wat hij mag zeggen, mijn
rechter is mijn God. Door recht afgesneden, door rechtingen,
dat houdt die naam in. Wordt niet voor niks genoemd,
denk ik erbij. Twee. Er wordt genoemd de zoon van
Barachiel. En als ik het woord Barachiel
verklaar en uitleg, dan staat er eigenlijk dit. De zoon van de gezegende God. Barach is zegen, Eel is weer
God. Barachiel is de zoon van de gezegende
God. Dus mijn God, de rechter, is
mijn God, de Zoon van de gezegende God, Barachiel. Den Beusiet. Beus was de Zoon van Nahor, zwazen
van Abraham. Uit die tijd moet het zijn ook. Job uit de tijd van Nahor, Abram
in die tijd. Dus hij komt uit het geslacht
van Sem. Van de familie van Nahor. Zoon Bus is zoon van Nahor. En het geslacht van Ram. Men zegt wel dat dat verbinding
heeft met Abraham. Er zijn anderen die zeggen dit
was een oud testamentische openbaring van de tweede persoon van het
goddelijke wezen. Hij heeft trekken van Christus,
verkondigt hij. Maar ook hij wijst van zich af
naar de middelaar. Hij is het zelf niet. Hij is
een Christen. In het Oude Testament heb je
Christenen. Dat begint niet bij het Nieuwe
Testament. Die zijn van Christus. Daarom
slachtte hij altijd voor zijn kinderen een lammetje. Hij wist van het slachten van
het lam. Het lam van God dat de zonden
der wereld wegneemt. Welgemeente Anderen hebben gezegd
dat hij Bilian was. Weet je wie dat zeiden? Dat zeiden
de Joden die op de wet steunden. Ze zeggen deze man praat over
genade, maar dat is Bilian. Dat is geen profeet. De Zwettische mensen die vonden
hem een verkeerde leervoorster. Maar ik geloof dat een kind van
God is, dat is één. Dat hij die naam waarde had voor
hem. Mijn rechter is mijn God, dat
is wat Hij kan zeggen. Mijn rechter is God. De kroon van het eeuwige leven
komt vanuit de hand van de rechter. Rechts voor onderzalige mannen,
rechts voor onderzalige mannen. Het ziel wordt direct gelost
en de wederkerende door al dat gemurmel en gepraat buiten recht
is geen zon, is geen waarheid, is geen waarheid. Ik heb al wat dit en ik heb al
wat dat en ik heb al wat niks. Mijn God, mijn Wechter is mijn
God. De Zaria, de Zoon van de Gezegende
God, een Kind van God, een Kind van God. Maar z'n doorn ontstijgt tegen
Jop, omdat hij het meer heeft over de vruchten der genade,
dan over de God van genade. Ik kan het ook anders zeggen.
Ik hoop dat hij me verstaat. En als hij het niet verstaat,
dan kan het niet helpen. Maar dat vind je tegenwoordig
bij veel mensen. Die hebben het niet over Christus,
maar meer over de Christen. Niet over de vruchten van Christus,
maar over de vruchten die ze ontvangen hebben. Ik en mij. Het was wel waar, hè? Je moet
niet tegen me zeggen dat was niet waar, dat was wel waar. Maar uit gnade zijt gezalig geworden
en dat niet uit u te schotsgraven, dat is het. En wie roemt, die roemt in de
Heren, niet in zijn heilige making. En niet in zijn nette leventje,
zelfs als het gnade is. Dat doe je niet. En als je dat
wel doet, dan ben je een dief van de gaven die je gekregen
hebt en gebruik je voor je eigen eer. Maar je moet dit onthouden, mijn
lieve medereders. Daarom zegt straks Edu, dat gebeurt
twee of drie keer. En ik heb u vorige keer genoemd
Koolbrugge. Koolbrugge wist van de vergeving
der zonden. Maar zijn heiligmaking verdoende
hem het ongeloof. zijn leven getuigd tegen hem
van binnen en van buiten. Hij kon helemaal niet meer preken,
dat zou ik wel ooit waar geweest zijn. Versta je nou die strijd? Ik
weet niet of ik hier nog mensen heb, ik hoop dat hij nou dat
verstaat, geestelijk. We hebben het vorige keer gezegd
en ik zeg dat dan nog maar een keer, dat is natuurlijk niet
erg. Dan moet hij preken in Woepertaal,
En dat kan hij eigenlijk niet prikken. Want heel zijn leven
getuigd tegen hem. Dus die lacht zo. En dan leest
hij Romeinen 7. Heel bekend. En dan heeft hij
altijd gedacht, ik ben een deel geestelijk en ik ben een deel
vleeslijk. Dat heeft hij altijd gedacht.
Dat denken heel veel van die christenen zogenaamd. Ik heb
wat wet en ik heb wat evangelie. Ik ben een deel vlees en ik ben
een deel geest. Hoort u altijd op de preekstoel
misschien, ik ben een deel geest en ik ben een deel vlees. Niet
waar? Want dan leest die Romeinen zeven
en dan staat er, ik ben vleeslijk, kom maar, ik ben enkel vlees. En ik ben verkocht onder de zon. Hij zegt, wie zal mij dan verlossen
van dat lichaam, daar is zonde en daar is dood. En dan gaat
hij spreken, dan gaat hij op Godwijze in Christus zeggen,
dank u God, door Jezus Christus. Maar dan gaat hij voor de eerste
keer lezen dat die ene klomp zonde is. Dat was hij ook bij de gewaarwording,
de aanvangergenade, ene klomp zonde. Maar dan krijgt hij de
schrift mee, dan gaat God hem onderwijzen. En dan gaat die leren gemeente,
maar dat is tegenwoordig bijna weg, dat nou de zaligheid buiten
hem is in Christus. We hebben het wel eens over het
geloof dat eigent, maar het geloof is altijd in haar aard toevluchtnemend,
buiten uzelf. Dan zeggen ze, ja je hebt een
toevluchtnemend geloof en een verzekerd geloof, Nee, elke daad
des geloofs is toevluchtnemend, namelijk buiten uzelf. Ik ben het niet, ik kan het niet,
wil het niet, maar door U, door U alleen, om het eeuwige van
mij, dat is het. Kijk, en zolang U nog een deel
van de wet bent, bent u geheel on van den duivel. Als de wet u niet heeft verdoende
afgesteden, zal het evangelie u niet baten. Maar ja, u zit
onder een leerveelhal en je moet dit doen en je moet dat doen.
Arme zielen, arme zielen, arme zielen, arme zielen, arme zielen, arme zielen, arme zielen,
arme zielen, arme zielen, arme zielen, arme zielen, arme zielen,
arme zielen, arme zielen, arme zielen, arme zielen, arme zielen, arme zielen, arme
zielen, arme zielen, arme zielen, arme zielen, arme zielen, arme
zielen, arme zielen, arme zielen, arme zielen, arme zielen, arme zielen, arme zielen, arme
zielen, arme zielen, arme zielen, arme zielen, en me thuis blijven
en me kruipen en me zoeken totdat God er een hendel maakt. En de hand op uw mond geslagen
wordt, God hendelt dat he, en ze doorgaan werken. Uit U geeft
vrucht in de eeuwigheid, maar alle vrucht wordt uit mij gevonden. Dat is Boston. Dat zijn de Erskines. Dat is met chain. Dat is de Bijbel. We zijn ver weg. Er zijn heel veel mensen die
praten over vergeving en zonde en dan moeten ze bewijzen dat
ze een Christus zijn. Arme mens, arme ziel. God laat u vallen in uw eigen
zwaard. Want uit hem, dat is van eeuwigheid,
door hem in Christus. En als dat waar is door een heilige
geest dan ook tot hem zijn. Alle dingen, alle dingen. op het eeuwige welbehaal. In wijsheid, gerechtigheid en
heiligheid. Om al de dagen van uw leven te
wandelen zonder vrezen. Nou, dat is wel doorslaan, deze
Bijbel zeg. Ja, maar ik vrees wel, ja. Zolang aan de wet hangt, en er
werd nog een schouderklopje verlangd, dan ga je weer vriezen hoor. Weer vriezen. Weet je wat de gezins van deze
dag is? Verbeteringsleer. Maar weet je wat genade is? Ik
word niet beter, maar slechter. God wordt groter. Ik las het
nog weer bij Johannes de Doper in deze voorbereidingstijd. Hij moet wassen en ik moet. Ja. En weet je waarom ik altijd
zoveel troost had gehad? Maar misschien ben ik alleen. Nee, dat denk ik niet hoor moeder. Weet je wat er staat? Hij is
sterker dan ik. Daar moet ik staan. Hij is sterker
dan ik. Dat is het oplossing. En zijn kracht wordt in zwakheid
volbracht, want mijn genade is U genoeg. Maar Job eigent zijn goede werken. Die waren er ook wel, want dat
hebben we gezien in het eerste hoofdstuk. Maar hij gaat ermee
aan de slag. Hij verdedigt zich. Hij verdedigt zich met genadevruchten. Hij had eigenlijk van zich af
moeten wijzen en zeggen, het is bij mij niet, het is van hem
gekregen. Versta je mij? Ik ben bang dat er weinigen dat
verstaan. Die rondromme inder, heren, dat
gaat door de afsneiding heen, bij de aanvanger verder voordeur. Kijk gemeente, dat is precies
het katechisme. Zondag 7 gaat het over het rechtvaardig
worden. Letterlijk over de rechtvaardigmaking.
God maakt rechtvaardig. Maar zondag 23 gaat het over het rechtvaardig
zijn. En hoe ben ik dan rechtvaardig? Alleen door een waar geloof in
Jezus Christus. Al zo is het dat mij mijn conscientie
mij nog meer aanklaagt. Dat ik tegen al die gewone gods,
ook namens vangenade zwaarders gezonderd heb. Geen daarvan gehouden heb. Jog
geen daarvan houden! Naar de maat gods, naar de maat
gods. Niet naar jouw maat, naar de
maat gods. En nog steeds, nog steeds! Wanneer zal dat ophouden? Nog
steeds tot alle boosheid geneven! Nogthans, daar heb ik nogthans
over geloofd. God zonder enige verdienste Job,
Job zonder enige verdienste. Nauwtere genade, alleen genade. Mij de volkomen genoegdoening. O mensen, hier jubelt mijn ziel. Dat zijn een arme zondag, die
nooit verder kan komen dan één zondag te zijn. gerechtigheid, genoegdoening,
gerechtigheid, lautere genade, bij de volkome genoegdoening,
gerechtigheid en heiligheid van Christus schijnt! En toerekent! Nieuwe inscheid! Op mijn rekening zet, Evangelische gerechtenwet, niet
wetjes. Hoe dan? Als had ik nooit geen
zonde gehad. Nooit gevangen was in paradijs. Nog gedaan. Als ik zelf, dat heb ik niet
gedaan, maar al had ik zelf zo toegerekend. al de gehoorzaamheid
volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, die ik moet
nog brengen. Heeft! Zover ik zulke weldaad, ja of
nee, dat is niet een beetje meer, zover ik zulke weldaad, dan gaan
er weer mensen zeggen, je kunt er een klein beetje aan nemen,
nog een beetje minder aan nemen, daar kloop ik niks van, dat is
ook niet waar. In zoverre, dat betekent ja of
nee. Die weldaad ontvangen, ja of
nee? Niet half en half, dat gaat niet. Ik zul de weldaad een volkomaard
genade aannemen. Geloof ontvangt, nadat die gekregen
heeft, toch? Kerk heeft het gekregen. En dan
geeft God het geloof om het te ontvangen en het te eigenen. Maar daar is geen deel van de
wet bij in 23. En dan gaat het in de wet niet
over het rechtvaardig maken, maar het rechtvaardig zijn. Zo
ben ik rechtvaardig voor God. Zonder de werken der wet. En zal ik u vertellen, weinigen
geloven het. Want als je zo zalig moet worden,
moet de wet uit je handen vallen. Die moet je verdoemen en vervloeken,
buitenhoog stellen, want hij zei u de teugmeester tot? Christus. De païdagogos. Dat is eigenlijk iemand die slaat. Die slaat je dan toe zo. Slaat
je dood en slaat je dan toe. Maar weet je wat Job doet? Die
gaat eigenlijk met de vrucht aan het werk. Ik en mij. Ja, de wereld maar ik. Naar de
wereld en naar de wereld. Moet je die mannen zien, die
buurman van mij. Tegen al de geboden gods zwaarlijk
gezondigd heb nog en tot alle boosheid genijmd. En buurman,
geef mij alsjeblieft een handjongen, maar wij hebben allebei genade
nodig. Buiten u zelf. Maar kijk je op, die gaat ermee.
Dus 1 juli zegt hij, dit gaat, dit is niet goed, zegt hij. Er zijn tegenwoordig kerken hier
in de buurt die vechten om de heiligmaking. Weet je wat je
moet doen? Onder je zool smeren en gauw weglopen. Dat is niet
waar. Want de vrucht... Kijk, de werken
des vlezers worden getekend, dat is mijn werk, dat is de wet.
Maar de vruchten des Geestes zijn liefde, vrede, barma, die
zijn van God in Christus gegeven, toch? Die heb jij toch niet? Jij bent totaal verdorven. Waarom ben je zo lang ermee bezig?
Omdat ik dat uurtje daar binnen heb mogen ontmoeten. En ik nooit verder kom dan ellendigen. Ik heb u gezegd, Huntington wist
het precies. Lieve vriend van, ik weet niet
of ik zijn vriend was, maar dat laat ik maar zitten. Maar één
ding wel. Weet je wat Huntington zegt?
Seeftzinnig. Hij zei, ik ben nog een zonder,
maar ik ben gered, zegt hij, zo is het. Dus al dat gepraat van dit en
dat. En in de wet is geen kracht,
alleen een kracht tot verdoemen is, dat is in de wet. Het roept
het oordeel op en het ontlaat uw oude natuur als vijandschap
tegen God. Dan schonder de wet, ga ik verkeren.
En ja dominee, nou hoor je me toch te antinomiaan. Het is niet
waar, niet waar. Want de liefde dat is een kracht.
De evangelie is een kracht. De wet is de kracht van de wraak
van God. Omt u het zeer donker. Christus
verbergt zijn aangezicht. Hij zegt, wilt u het dan zelf
doen, gaat u gang. Maar wat doet je ook nou? Hij
wordt natuurlijk beschuldigd voor alle zonden en dan brengt
hij de genade van zijn gerechtigheid, de verlieuwing van zijn leven
als antwoord. Dat had hij eigenlijk niet moeten
doen. Daarom wordt EU boos. Hij zegt, dat is niet goed. Hij
zegt, je had God moeten rechtvaren. Je had over God en wat die je
gegeven. Daar je over moest praten, niet
wie je zelf was. Daar is nog zes, zes en zes,
vijf en zes, zes en zes, vijf en zes. Baba Sabzi, en net belemmen onze schreden,
een enkel band hield ons begrensd, maar ook het zesde vers, door
hoogst aan het geweld te ontogen, zal het genoot tot dankbaarheid
verschijnen voor zijn heilige ogen, met offers aan Hem toegewijd."
65, 66. MUZIEK MUZIEK Heer, geef ons wakker. Ja. Heel oudsmeer, Heel oudsmeer,
Heel oudsmeer, Heel oudsmeer, Heel oudsmeer, Heel oudsmeer,
Heel oudsmeer, Wat deden de drie vrienden, ik
ga daar nog niet zo veel van zeggen vanavond, want dat hebben
we al een paar keer gedaan. Die verdoemde Job, maar ze wisten
eigenlijk niet waarom. Ze proberen hem te overtuigen
dat hij toch wel een hypocriet was, maar Job zegt nee dat ben
ik niet. Maar ze bestonden de evangelische
gerechtigheid niet, de gerechtigheid van Christus niet. Ze wisten niet dat alleen Christus
zaligheid was. Toen ja die mensen, hij zegt
nou ja dan jullie hebben ook niks gezegd en die huren zo kwaasheid. Dan wordt hij, is hij eigenlijk
ook moedig, ja. Is ook weer wat. Hij zegt ik heb op u gewacht,
want ik verwacht van oude mannen dat ze de wijsheid hebben, maar
ik heb wel gezien dat ze ook niet waren. We denken vaak oude mensen weten
het beter, vaak ook niet, want Elihu was de jongste. Hij had ook gewacht op Job, dat
Job nog een keer zou spreken, maar Job zwijgt ook. En daarom ontsteekt zijn toren
ook tegen die drie vrienden, die ook de zaak niet verstonden
nog. Job die gaf God niet de eer,
die rechtvaardigde zichzelf in plaats van God. Maar die drie
vrienden maakte God tot een boeman. Tot iemand die straft en je weet
niet waarom. Hij zegt maar ik heb gevreesd
want u bent oud om te praten. Hij zegt bij mijn jong Ik heb gevreesd om u mijn gedachten
te vertellen, zegt ik. Daar durf ik zowat niet, van
die oude mensen allemaal. Ik dacht, laat nou de dagen praten.
Die oudsten, die moeten het wel weten. Die jaren van wijsheid zouden
ze moeten hebben. Maar dan beroept hij zich wat
anders. Dat volgende hoofdstuk is wezenlijk,
maar hij vertelt hoe hij aan die waarheid komt. En de leer niet alleen aan het
geestelijke leven. Dan zegt hij in vers 8, maar
zekerlijk de geest die in de mens is en de inblazing des almachtiger
maakt je verstandig. Dus hij zegt, en dat is mooi,
hij zegt niet, ik ben zo wijs. Ik denk weer aan de geschiedenissen
van Jozef. Jozef had gezegd, ik kan het
uitleggen, maar in de beproeving zegt hij, het is buiten mij. Als die koning zegt, vertel die
droom, dan zegt hij later, eerst zegt hij dat hij wat kan doen. Maar later dan zegt hij, het
is buiten mij. Weet je wat dit jonge mannetje
zegt, die Eliu? Hij zegt, het is buiten mij. Ik heb misschien wel Theologie
gestudeerd, maar het zegt niet zoveel. Ben je daar tegen? Ik ben er
niet tegen. Maar tenzij je wederom geboren
wordt, je kunt het Koninkrijk Gods niet zien. Zekerlijk de Geest, mijn hoofd
laat de Heilige Geest. in vers 8, die in de mens is. Dus hij weet van de inwoning
des geestes, als een kind van God. Elie, God is mijn rechter
en hij is van mij. En hij weet van de inwoning des
geestes. Evangelische mensen hebben wel
eens tegen me gezegd dat ze dat in het oude testament niet wisten.
Nou hier heb je nou een tekst dat heel duidelijk is wat het
is. dat in het Oude Testament, net zoals de Geestesheren, in
de kerk is verzegelend en wijsheidgevend. Calvin zegt, in het Nieuwe Testament
is de volle dag, maar in het Oude Testament waren de stralen
van de zon niet minder wezenlijk. Daarom geloof ik ook niet in
drie verbonden bijvoorbeeld, daar geloof ik absoluut niks
van. Ik geloof maar in eigenlijk één
verbond. Maar goed, dat ga ik nu niet
uitleggen, een andere keer misschien. Ja, ik moet het nu doen, want
anders zegt u, nou is er dan geen genadeverbond. Ja, het genadeverbond
is de vervulling van het werkverbond. Onthoud wat ik zeg. Het genadeverbond
is de vervulling van het werkverbond. Christus strijdt in de plichten
en rechten van de kerk. En hij doet wat u niet kunt doen. Dus genade steunt op recht. Als u dat wil weten, dan moet
u het laatste werkje van Thomas Bostom kopen, dat is de Verbonden
Genade. Hij zegt, het is eigenlijk maar
één verbond. tussen Christus en zijn vader. Die doet wat ik niet doe. Die recht vereerlijkt. De rechter vereerlijkt. Godrechtvader. Goed. De inblazing desalmachtig is
een tweede ding. Dus die geest woont, maar die
blaast ook. De Theopneustos. Dus die geest,
dat is precies wat Petrus zegt, door de inblazing des geestes. Dus die geest die blaast in. Dus niet ik heb het, heb je het
weer, hè? En niet ik weet het. Maar die
geest blaast in, de pneus knuist door. De inblazing des geest. We kunnen ook zeggen, gelijk
onze vader, dat het in de Nederlandse gelooflijn is beleden, het getuigenis
van de heilige geest in het hart, dat is het. Dus die geest gaat spreken. Want die adem is al machtig,
dat is de Ruach, jawel. De geest is de Ruach, is de wind. Johan is echt de wind. Die blaast
waar hij niet wil. Je hoort zijn geluid, maar je
weet niet van waar hij komt of waar hij heen gaat. Het is de
Heilige Geest. Die maakt verstandig. Die leert je de waarheid kennen
van binnenuit. Dan krijg je verstand van God
en goddelijke zaken. Die man, die droomde dus niet
op zijn eigen wijsheid of zijn theologische opleiding, dat die
dokter in de theologie is of weet ik wat die is. Maar hij
zegt, ik heb van God geleerd, zegt hij, en hij heeft me verstandig
gemaakt. Kijk, hij beschuldigde Job van
dat hij teveel ekemei was. Nu zegt hij, nee, ik heb het
van hem gekregen. En daar moet nu elke leraar het
altijd van hebben. Dus je krijgt pas verstand als
God je verstand geeft door de inblazing des geestes. Het is
niet geestderijverij, want die geesten hebben het woord geschreven. Door woord en geest. Door woord
en geest. Dan wordt dat woord, ja en amen. Ja, dat wordt het woord. Krijg
je liever. En zeg eens wat zeggen mensen,
ik weet niet of ik raar praat, maar zo gaat dat toch. Dan heb je een tekst vijf keer
gelezen en je hebt hem nooit... Maar als nou die geest daar licht
over laat staan, dan moet je een hele nieuwe Bijbel hebben,
een hele nieuwe Bijbel. Want zonder die geest kun je
de Koninkrijk van God niet eens zien, jongen. Je leert het niet op school,
je leert het door de inblazing des geestes, de Theoknaustos. Want de grote zijn niet wijs
en de oude verstaan het recht niet. Hoor je dat? Deze oude mensen zeggen, die
hebben het recht niet verstaan. Dat afspreekt en de gerechtigheid
van Christus die recht. Ga niet naar zoeken leer die
dat niet doen. Dat hoort ge niet. dat het recht niet afsnijdt en
Christus gerechtigheid daarom niet gebreekt wordt. Ze dwalen
in. Oude weten dat niet, zegt hij.
U weet het niet. Maar daarom zeg ik, hoor naar
mij. Nou, die durft nou al wat te zeggen. Hij zegt, misschien weet ik het
wel, misschien weet ik het wel. Nou, misschien weet ik het wel.
Je weet het nooit, maar misschien weet je het. Nee, weet je wat
hij zegt? Hoor naar mij. Want ik kom niet
met mijn eigen wijsheid. Ik ben door God geleerd. Maar tegenwoordig mag je niet
meer absoluut zijn. Je moet al een beetje twijfelen,
dan ben je bij de grote massa. Maar als je zou zeggen, hoor
naar mij, want de rest zijn dwa leraren, dan zegt ze nou... We leven in een tijd, hè, dat
het absoluut de verdacht is. En het absoluut is goddelijk. God is absoluut. De neer is niet relatief. Praat
ik moeilijk? Ja, ik kan niks doen. Bij God is het niet ja en nee,
maar ja en amen. Hij zegt, maar ik heb gewacht
op u, ik heb mijn oor naar u gewend, ik heb uw redenen uitgezocht,
maar er is niemand die je op kan overtuigen. Waarom niet?
Het is geen geestelijke duivenis, hè? Opdat gij niet zegt, we hebben
wijsheid, God heeft hem neergestoten, geen mens. Nou ja, de heer heeft niks aan
je leren, dat heb geen vrucht gehad. Je moet altijd maar onthouden,
gemeente, de leer der wet heeft geen vruchten. Ik zeg niet, en laat me dat duidelijk
zeggen, ik zeg niet dat de wet niet het eerste noodzakelijk
is tot ontdekking. Ik begin niet met de dankbaarheid,
geloof dat maar niet hoor, want het zijn ze tegenwoordig ook
al. Waaruit kent u ellende? Het recht
gods uit uw wet gods. Het begint niet met liefde, het
begint met verlorenheid. En als u die leer niet hebt,
dan bent u verkeerd geleerd. Absoluut. En dan komt er een ogenblik,
je slaat God de hand op je mond en wordt er met hem heen gezocht. Al kijkt hij nooit meer naar
je om. Ga je godrecht vaardigen? Kijk, dat heeft Elio het over.
Wat godgerecht vaardigen? Niet dik! Versta je dat eigenlijk wat ik
zeg? Nou hij zegt, buh, dat is geen,
dat is niks, sta stil. En waarom ga jij dan praten,
Ehu? Nou, u zegt, want ik ben daar woordenvol. Ik kan niet
meer zwijgen. Ik ben zat met jullie. God gaat mij getuigen en schreeuwen.
Ik moet praten, zeg ik. Ik moet spreken. En nou is het heel mooi in de
Bijbel. In de Bijbel is het woord de zaak. Ik geloof in de Engelse Bijbel
staat de zaak. In het Hebreeuw staat het ook
de zaak. Woorden zijn voertuigen van zaken. Hij zegt, de zaken daar ben ik
vol van, zegt hij, ik kan niet meer zwijgen. Want de geest van mijn buik,
daar zit die geest, zegt hij, in mijn buik. Ook vreemd? Maar is wel waar, he? Nee? Ik zou het u uit het Nieuw
Testament aantonen. De vernieuwing van uw verstand
niet waar, gemoed. Het heeft met uw wezen te maken,
met compasje. Als de geest werkt, dan vernieuwt
u naar het gemoed. Voor de Bijbel is de buik de
plaats van de darmen, als er naar wordt. Rommelende ingewanden, dat is
de evangelie. Gaat het hier rommelen? Gaat
het hier rommelen? Als de evangelie in je leven
komt, gaat hij je rommelen, zegt hij. Ga ik de barmhartigheid
gods proeven, zegt hij. En dan kan ik niet meer zwijgen,
dan moet ik praten, zegt hij. Hoewel ik de jongste ben, ik
heb lang gezwegen, kan ik niet meer zwijgen. Ik ben vol van
de zaken, zegt hij. Het is mijn buik als wijn, zegt
hij. Die gist. grote drukse zou zowat
die zak kapot trekken. Je kan niet meer zwijgen. Die man die kan niet praten,
die moet praten. Die kan niet preken, die moet
preken. Het is bedoeld als de preekstoel
je naar de tekst brengt. De tekst moet je naar de preekstoel
brengen. Goudverschool. Het geld van vaders
en moeders. En ik zal spreken, zegt hij. Omdat ik lucht kreinig. Heel mooi, hè? U vindt in het ouderste went
vaak, en de last is zeer, hè? Als God wat opje legt, dat is
een last, hè? Ik weet niet of u me verstaat,
hè? Dat is een last die op je ligt. Dat voel je ook. En als je nou genade krijgt,
mag je je ontlasten. Versta je mij? En als je dan mag spreken, gaat
de last van je af. Als die de rechtvaardiger zegt
dat het hem wel zal gaan en toch gelozen dat het hem niet wel
zal gaan. Of voel je die lasten niet? Nooit gevoeld? Dan zal ik mijn lippen openen
en antwoorden. Dan zegt hij nog een ding. Hij zegt maar ik doe niet bij
aanneming van persoon. Ik zeg niet je bent oud en daarom
zal ik je ontzien. Hij zegt ik zal niemand ontzien. Niemand. Want bij God is geen
aanneming des persoons. Niet omdat je oud geëvolueerd
bent heb je een streepje voor. Dat niet hoor. Nee. En als je gegrept bent ook niet.
En hij stelt de vormducht ook al niet, dus het is alles mis.
Maar God is niet mis. Geen aanneming des persoons. Niet een rijke kerel op het voorste
bankje met de hoogste duiten in de zak, dat niet hoor. Jacobus. Want ik weet geen bijnamen te
gebruiken, ik zal niet letten op wie ze zeggen dat u bent. Want als ik zo ga doen, dan zal
mijn maakte me wegnemen. Moet je nagaan wat hij zegt.
Hij zegt, als ik aanneming des persoons doe, als ik dus naar
de mond van mensen ga praten en naar de stand van mensen ga
praten en het aan ga praten en zeggen, ja je hebt het nog niet,
maar je bent wel op weg Mens, je komt er zeker voor, je komt
er zeker. Hij zegt, als ik zo ga doen,
zegt hij. En daarmee is natuurlijk, dat
is natuurlijk voor een predikant best moeilijk, he. Want als je gezworen hebt, zondag
zit er dan wat meer. Ze hebben allemaal hun eigen
gedachten, ik lees het in hun ogen. De één die begint dus op zijn
klokjes te kijken, die denkt, jonge jonge, die is al lang zat. De derde begint met zijn voeten
te zwaaien, want die denkt, ik moet zien dat ik hier ook uitkom.
Maar nou voor God te preken. Geen aanneming des persoons. Niet met gouden ringen op de
voorgrond zitten. En ook de armen niet alleen. God dienen, dat is het. Dat leert ons de geest. En als je het niet doet, dan
lig je straks wakker. Je wordt schat, dat hoor je heel
persoonlijk, maar laat me dat nou toch doen, want het hindert
toch ook niks. Ik moest spreken, ik kon heel
niet spreken. Ik had zestig blijdniskatten gezand, ik denk gelukkig elke
keer zestig minuten ben ik een uur verder. Voordat ze allemaal ja herzeggen
en teksten. Toen heb ik maar wat gezegd,
ik wist niet eens wat ik zeggen moest, in grote noot en dood.
Ik denk, ik ga die prikstoel af en als de kerker dat zegt,
je hoeft nooit meer terug te komen, dan zet hij dan gelijk
ook. Zal we zien dat ik een ander
plekje krijg. Misleider. Voel ik wel. Dinsdag gaat voorbij, ik denk
nou is het afgelopen. Woensdag. In zijn hoog en vroeg,
of in zijn hoog en vroeg, boekje. De dominee preekt niet altijd
naar wat hij voelt en ziet, want dan preekt hij het woord niet,
maar zichzelf. En ik denk, ja, daar ben ik mee
bezig natuurlijk, dat is zo. Ik moet het voelen en hebben. Ik kan dat preekje van die man
nooit weer terugvinden, maar ik heb het gelezen. En het verlicht me, enigszins. Nou begrijp ik, dacht ik, waarom
het zo'n zwaar werk is, en mij te ontlasten daarvan. Nou, tien
uur, Belgaat. Mag ik binnenkomen, dominee?
Ja, tuurlijk mag je binnenkomen. Mijn vrouw zei, we kenden haar
ook wel. Kom maar zitten hoor, kopje koffie.
Nou, zei ze, daar kom ik eigenlijk niet voor. Ze zegt, dominee,
ik heb veertig jaar nog nooit, nog nooit een prikje gehoord. God heeft nog nooit op mijn hart
gesproken. Hij zegt maar tweede prins de dag met de beleidenis
van die katten gesand, er was elk woord in zijn accent. Toen heb ik gezegd halleluja,
halleluja. God zorgt voor zijn eigen werk. En zijn eigen eer. Mens is thuis al. Maar wat ik zeggen wil, als we
mensen aanzien, het is een gevaarlijk werkje hoor, kerken aanzien,
Ons doel zoeken, eiger ik. Nee, want ik weet geen bijname
te gebruiken. In het kort zou mijn maker mij
wegnemen. Als ik mensen ga behagen, zegt
hij, ga ik gof in mijn mond slaan. Neemt hij me weg van die plaats.
Als ik mensen ga behagen in een gemeente, of hij geeft u een
andere plek, of hij zegt, spreek niet meer in mijn naam. Moet je hem denken? Er is altijd iets dat ernst in
moet doen. Gemeente, daar ben ik nou mee
begonnen, wil ik toch mee eindigen. Door u, door u, alleen om het. eeuwige welbehaar. Want uit hem van eeuwigheid,
door hem en tot hem zijn alle dingen van de kerk. Zijn naam moet eeuwig eer ontvangen
en daar zorgt God voor. En als mensen het niet zingen,
zingen de engelen het u voor. Want mensen zingen dat zomaar
niet. Mensen zingen van natuur helemaal
niet. Die vloeken van natuur, niet
waar, wel waar, wel waar. Slangenvernijen is onder hun
lippen. En de waardes vredes hebben ze
niet gekend. Maar engelen zingen het voor.
Wat zingen ze? Eren zij God. In de hoogste eeuwen. Dan wordt God eeuwig vereerlijkd. Hij ook wel eens heen mee. Soms wel heen. Als de liefde
je trekt, hoop je hier niet zo lang te blijven. Vrede op aarde, in mensen een
welbehagen, dat staat er niet voor. Dan zal God in alle mensen een
welbehagen hebben, als je wil. Als u de kanttekening neemt van
de oude Statenvertaling, dan leest u wat anders. staat in
de zijlijn en daar zijn getuigen van gekomen. Tesudokias van het welbehaag
in de mensen van het eeuwige welbehaag. Mijn vrede geef ik
u. Mijn vrede laat ik u. Niet gelijk
de wereld omgeven. Mijn vrede geef ik u. Wie? Die ik van mijn vader gekregen
heb en die ik hem straks teruggeef. gewassen door mijn vloed, beklepen
met mijn gerechtigheid en verzegeld door mijn Heilige Geest, opdat
ze straks eeuwiglijk zijn lof verkondigen zouden. Hier in Beginsel. Door die Geest alleen, niet door
u. Niet door u hoor! Ik en mij, dat gaat niet door
hoor. Door hem, door u, door u alleen,
ons eeuwige Welbaar en om Jezus' wil, amen. En Heren, u zult wel zeggen,
wat heb je nou wat. Ach Heren, mocht ik u eens bedoelen. Mocht ik u eens bedoelen. En ik mag u bedoelen. Want dat
is nou mijn lust. Het is de lust van de kerk hier
vanavond, u te bedoelen. En zullen ze eeuwig mee bezig
zijn straks. Het is toch niet uit te drukken
wat dat weer is dan. Dag en nacht, dag en nacht, is
geen nacht en is ook alleen maar nacht, alleen maar nacht, nee,
geen nacht meer, nee, nee. Glazen zee, ook geen storm meer,
nee, nee. Daar zal Hij zijn, alles, en
in alle acht heren, ontdek ons. Zelfs een ontvangen genade aan
ik en mij, ik weet het, ik ben het en ik kan het. Maak ons arm
op te houden van uw rijkdom leven, gelijk u zei, ik weet uw armoede. Heb u gezegd tegen die kerk? Doch gezijd rijk, dat is de kerk,
ik weet uw armoede. Doch gezijd rijk. En als je rijk en verrijkt bent,
dan kun je eigen linden niet en bij je arm. Ach, gedenk dit
volk om Jezus wel. Aag Heren, Dat ik, dat ik, dat
ik, dat ik, diet ik, U alleen, ach, schenk het ons, uitgenade. Amen. Wij zingen tot slot van Psalm
6, het tweede en achtste vers. Psalm 6, 2 en 8. Vergeef mij al mijn zonde, mijn
hoogheidsschonde, heb je het, hè? Mijn verzwakte, o Heer, genees
mijn red, mijn leven. Zit ik mijn benen in beweging?
Laat uw hand, meneer, over het achsten. Mijn ziel grijpt moed. Wijd, boze, vlucht van mij weg,
Goddeloze. En wat er verder nog twee en
acht zal zijn. MUZIEK. Mijn Heer, waar ben U heen gegaan? MUZIEK U moget als Heer gaan in vrede
naar uw huis ontvangende, mocht het zijn met biddende harten
de zegen des Heeren die we in zijn naam op u leggen. De Heere zegenen u en hij behoorde
u. De Heere doe zijn aanschijn over
u licht en zij u genadig. De Heere verheffen zijn aanschijn
over u en geven u vrede. Amen.
Job 32
Series Het boek van Job
| Sermon ID | 122318164566414 |
| Duration | 1:30:20 |
| Date | |
| Category | Midweek Service |
| Bible Text | Job 32 |
| Language | Dutch |
Documents
Add a Comment
Comments
No Comments
© Copyright
2026 SermonAudio.