00:00
00:00
00:01
Transcript
1/0
Gemeente, de lezing uit Gods
heilig en onfeilbaar woordvindt u opgekekend in twee chronieken,
negenentwintig vers één tot en met negenentwintig, vooraf de
twaalf artikelen des geloofs, waar we al dus met de kerk van
alle tijden en plaatsen beleiden, Ik geloof in God, de Vader, de
Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus,
zijn enig geboren Zoon, onze Heere, die ontvangen is van de
Heilige Geest, geboren uit de Maag Maria, die geleden heeft
onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald
ter hele Ten derde dagen wederom, opgestaan van de doden, opgevaren
ten hemel, zittende ter echterhand God's desalmachtige vaders, van
waar hij komen zal, om te oordelen de levende en de doden, ik geloof
in de Heilige Geest, ik geloof één Heilige Algemene Christelijke
Kerk, de gemeenschap der Heiligen, vergeving der zonden, wederopstanding
des vleesers en een evig leven. Amen. We lezen Uw godsheilig en onfeilbaar
woord uit twee kronieken negenentwintig. Jehiskia werd koning vijfentwintig
jaren oud Schengen, en we gereden negenentwintig jaren toe Jeruzalem,
en de naam zijner moeder was Abia, een dochter van Zacharia. En hij deed wat recht was in
de ogen des heren naar alles, wat zijn vader David gedaan had. Dezelfde deed in het eerste jaar
zijn regering, en die eerste maand de deuren van het huis
des heren opende en verbeterde ze. En Hij bracht de priesteren
en de levieten in, en Hij verzamelde ze in de Ooststraat, en Hij zeide
tot hen, Hoort mij, o levieten, heiligt u nu uzelf, en heiligt
het huis des Heren des Godsuwervaderen, en brengt de onreinigheid uit
van het heiligdom. Want onze vaders hebben overtreden,
en gedaan dat kwaad was in de ogen des Heren onze schots, en
hebben hem verlaten, en ze hebben hun aangezichten van de tabernakel
des Heren omgewend, en hebben den nek toegekeerd. Ook hebben zij de deuren van
het voorhuis toegesloten, de lampen uit geblust, en het reukwerk
niet gerookt, en het brandoffer hebben zij in het heideldom aan
God God is er als niet geofferd. Daarom is een grote toren des
Heren over Juda en Jeruzalem geweest, en hij heeft hen overgegeven
ter beroering, ter verwoesting en ter aanfluiting, gelijk als
hij ziet met uw ogen. Want ziet, onze vaders zijn door
het zwaard gevallen, daartoe onze zonen en onze dochteren,
en onze vrouwen zijn daarom in gevangenis geweest. Nu is het
in mijn hart een verbond te maken met den Heren, de God is er als,
opdat de hitten zijn storens van ons afkeren, mijn zonen,
wees nu niet traag, want de Heere heeft u verkoren, dat gij voor
zijn aangezicht staan zalt, om hem te dienen, en opdat gij hem
dienaars en wierokers zout wezen. Toen maakte zich de Levite op,
Mahat, de zoon van Amazia, en Joel, de zoon van Azaria, van
de kinderen der Kebatieten, en van de kinderen van Merari, Is,
de zoon van Abdi, en Azaria, de zoon van Jehaliel, en van
de Gerzonieten, Joas, de zoon van Sima, en Eden, de zoon van
Joas. en van de kinderen van Elisavan,
Simri en Jephal, en van de kinderen van Aschai, Zecharia en Martania,
en van de kinderen van Heman, Jehiel en Simei, en van de kinderen
van Jeduten, Semaia en Uziel. En zij vergaderden hun broederen
en heiligden zich en kwamen naar het gebod der konings door de
woorden der zeren om het huis der zeren te reinigen. Maar de priesters gingen binnen
in het huis der zeren om dat te reinigen, en zij brachten
uit in de voorhof van het huis der zeren al de onreinigheid,
die ze in de tempel der zeren vonden, en de lefrieten namen
ze op om naar buiten uit te brengen in de Beekkiedron. En ze begonnen nu te heiligen
op de eerste der eerste maand, en op de achtste dag der maand
kwamen zij in het voorhuis des heren en heiligd het huis des
heren nu in acht dagen, en op de zestiende dag der eerste maand
maakten zij een einde. Daarna kwamen ze binnen tot de
koning Hischia en zeiden, we hebben het gehele huis des heren
gereinigd. Met schade ze het brandoffer
alta met al zijn gereedschap, en de tafel werd toerichting
met al haar gereedschap. Alle gereedschap ook, dat de
koning Agas onder zijn koninkrijk door zijn overtreding weggeworpen
had, hebben wij bereid en geeiligd, en zie, ze zijn voor het altares
heren. Toen maakte zich de koning Jehiskia
vroeg op en verzamelde de oversten der stad, en ging op in het huis
des Heren, en ze brachten zeven varren, zeven rammen, en zeven
lammeren, en zeven geitenbokkeren, ten zontoffer, voor het koninkrijk,
en voor het heiligdom, en voor Juda, en zeiden tot de zonen
van Aaron en de priesters, dat zij die op het altaar des Heren
zouden offeren. Zo slachten zij de runderen,
En de priesters ontvingen het bloed en sprengden het op het
altaar, en zij slachten ook de rammen en sprengden het bloed
op het altaar, insgelijks slachten zij de lammeren en sprengden
het bloed op het altaar. Daarna brachten zij de bokken
bij, ten zontoffer voor het aangezicht des konings en der gemeenten,
en zij leiden hun handen op dezelfde. En de priesteren slachten ze
en ontzonderden met dezelfde bloed op het altaar om verzoening
te doen voor het ganse Israël, want de koning had dat brandoffer
en dat zondoffer voor gans Israël bevolen. En hij stelde de levieten
in het huis wijsheren met symbolen, met luiten en met harpen naar
het gebod van David, en van Gad, de zieler des konings, en van
Nathan, de profeet. Want dit gebod was van de hand
des Heren, door de hand zijn profeten. De Levieten nu stonden
met de instrumenten van David en de priesters met de trompetten,
en Histia bevalt, dat men het brandoffer op het altaar zou
offeren, ten tijd nu als het brandoffer begon, begon het gezang
des Heren met de trompetten en met de instrumenten van David,
de koning van Israël. De ganse gemeente boog zich neer,
men als met gezang zong, en met trompetten, trompetten, dit alles,
totdat het brandoffer volleindigd was, en als men nu geëindigd
had te offer, bukte de koning, en alle, totdat het brandoffer
volleind was. Tot zover laat ons de zeer aangezegd
zoeken. Ach, heren, wat we hier nou toch
gelezen hebben, is toch zo'n wonder! Het volk had de dienst
opgegeven, de deuren van uw huis gesloten met de koning, de priesters
deden de dienst en verzoening niet meer, het volk bad niet
meer, er was geen reukwerk, Men offer dan de afgoden onder aangas,
en nou herstelt u het, want ik lees van je hiskiaat, dat het
in zijn hart kwam, en u ziet het hart aan, en het hart van
de koning, dat we dat toch geloofden, is als was in uw handen en als
waterbeker. Ah, wij verwachten het van ons
aanraden, van onze bestraffingen, het behoort daar te zijn, maar,
heren, u neemt het hart van uw volk in, neem ons ook hart in,
dat verdorven hart, dat we u mochten vrezen, onze lieve kleine kinderen,
heren we, dat ze nou een nieuw hart moeten hebben, ja, Mocht
u het, menjou, hoewel we het moeten, is het vrije gunst, die
eeuwig u beweegt als een van onze kinderen, op ouder van dagen
zo'n hart krijgen om u te vrezen, u te zoeken, dan gaan wij naar
beneden, staan we schuldig, en wordt Christus vereerlijkt als
die gezegende ene hoge priester van dat nieuwe verbond. Ach,
heren, gedenk ons er samen, mogen het zijn, een Hollandse taal,
vreemdeling in een vreemd land, maar er is maar één taal, da's
uw taal, da's de taal van Sion, da's uw woord en uw lief en trouw
getuigenis. Ach, open de schrift alsjeblieft,
ook dit avond u dat Sion tegen u verblijden, het nabijkomende
werk ontdekt werden, de onbekeerde getrokken, maar bovenal, dat
uw naam en eer klinken mocht, en dat alleen om Jezus wil. Amen. Gemeente Hischia, Je Hischia,
er staat dat Hiskia koning werd toen hij
25 jaar oud was. Dat betekent, het vorige hoofdstuk,
die Agas, we hebben dat gehoord, was 20 jaar oud toen hij koning
werd en hij regeerde 16 jaar. Hiskia heeft die 16 jaren van
diep verval en grote duisternis, veroorzaakt door zijn vader,
meegemaakt. En nou zeggen we wel eens, hij
nou zo'n vader heeft voor jezelf ook wel niet goed geweest, telt
niet mee. Want God zag het hart van die
koningin. Er staat immers, hij wandelde
in de wegen, desheer, hij deed wat recht was, in de ogen, van
de heren naar alles wat zijn vader David gedaan had. Hij deed wat de heren van hem
vroeg meten. En wat doet hij? Hij herstelt
de zuivere religie. En de zuivere religie, moet je
altijd maar onthouden, gaat eigenlijk maar over één ding. Dat is over de offranden van
Christus. getypeerd in het Oude Testament. En wat was er gebeurd? Ik kom
er nog wel op. Onder Agas was de kerk gesloten. De deuren dicht gedaan. Ik reed deze dagen zo door dit
land, want we hadden ergens een bezoek te doen. En dan zag ik
allemaal van die kleine kerkjes. En toen heeft mijn hart een beetje
gehuild. Want op de één stond antiekzaak en een ander afgesloten. En toen dacht ik, er was toch
een tijd dat die boeren hier in de omgeving, al was het misschien
met twintig mensen, in dat lieve huis wat opkwamen. Niet meer. De koop voor vijfduizend dollar.
Maar dat is ook al in Nederland zo. De deuren gaan dicht, maar weet
je wat nou wonder is? God opent weer deuren, want het
is zijn eigen dienst. Hij geeft het in het hart van
de koning van Israel gemeente, om de deuren van het huis weer
te openen. En zie, u leest dat in Verstienen,
nu is het in mijn hart om een verbond te maken met de Heere
de God is als, opdat de hitte van zijn toren van ons afkeerde. Dus het was in zijn hart. Tegen alle machthebbers in, tegen
de overste in, stond hij alleen. God deed het om geluk. Dat kunt
u in Koningen lezen. Hij neigde daar Het was in zijn
hart, maar God neigde op de harten van die priesters en die levieten
en die ouderlingen. Hij herstelt de dienst des Heren. We hebben het in drie taal gedacht
in de eerste plaats. Hoe donker het was, geen kerk
meer, geen opverander meer, de dienst der verzoening toegesloten. God geeft een jonge koning. uit
dat goddeloze huis van Agas. Toch een wonder, dat de heren
onder die zonen van Agas, die die door het vuur had laten doorgaan,
de Joden zeggen, dat Histia op een bijzondere weze bewaard is,
anders had zijn vader hem ook verbrand aan de molen. Een bijzondere
weze bewaard, zeggen de Joden. En de volbekijker ook. want hij
deed z'n zonen door het vuur doorgaan, hij brandde ze voor
de mol. En gemeente nu gaat, heren, die
jongeman gebruiken tot herstel van z'n heerlijke dienst. Wel, hoe doet hij dat? Nou, hij
gaat in de eerste plaats de levieten roepen, dat ze zich heiligen,
zich afzonderen, zich wassen, zich kleden voor de dienstreferen,
dat is één. Dus hij gaat, omdat hij zegt,
u zijt door God gekoren dit werk te doen, hij zegt, kom, zegt
hij, heiligt u. Twee, hij gaat het huis openen
en heiligen. En alles klaarmaken voor het
brandhof. En dan in de derde plaats gemeent
hij slacht, nou op een bijzondere wijze. Want er waren zeven runderen,
zeven rammen, zeven lammeren, zeven bokken. Weet u nog, waar
is dat zeven? Weet u dat nog uit het oude testament,
zeven? Wie had zeven van die rijne dieren? Noach en Dark. En dat woord zeven ziet op de
Messias, de zalige. Want zeven is het goddelijke
getal. Het is ook zo dat in de dagen
van Hischia de profeet Jezaja profiteerde, de afgehouden tronk
van Isi. Een reisje zou voorkomen, en
Jezaja 53. Dus het ziet niet alleen op die
lammeren, op de dienst en verzoening, oud-testamentisch, hypologisch,
maar het ziet in het steven op de komende zalig maken, dat volmaakte
en volbrachte offer Christus. Wat heeft die man al lichaam,
hè? En leven, die heeft zich niet
kunnen tevredenstellen met een uitwendige religie. Het ging
hem om Christus, de komende, van Jezaja gepreden. Nou, dat zullen we dan ook zien,
dat offer. Ik kom er nu wel op, maar laten
we eerst nog zingen. Van psalm 74, dat is een psalm
uit die tijd wellicht. Dat gaat over het verval van
de eredienst. De dienst is ere. En wij willen daarvan zingen
2, 7 en 12. Herdenkt de trouw en ons voorheen
betoond, en al zeven uw heiligdom is door het vuur verteerd, en
twaalf — we zingen — gij evenwel, gij blijf dezelfde, o Heer, en
wat er verder volgt, ondertussen wordt gecollecteerd. ZANG EN MUZIEK MUZIEK waaronder alle vrede, waaronder
alle vrede, Vrijwilliger, vrijwilliger, I love thy holy name. May I close
now, and I will wake up again. In de loon, in de lucht, in de
zon. Wat een wonder dat je uit zo'n
gezin komt en zo'n vader hebt die zulke een voorbeeld geeft
en jij mag wel de neren vrezen. Dat is vrije gunst die eeuwig
hem bewoont. Je ziet het ook dat de persoonlijke
godzaaligheid vrucht is van de arbeiders heilige geest. Het is geen erfgoed, Het is een bijzonder genaderwerk
in het hart van deze jonge koning, heeft al die donkere dagen meegemaakt
voor zijn vader. Al zijn broers, ik weet niet
allemaal, heeft vader aan de molen geofferd. En hij is bewaard geworden, want
zij is wou vertellen, hij kon niet sterven voordat hij bekeerd
werd en zijn dienst waarnam. Gods volk is onsterfelijk. Voordat ze met God verzoend herstelde
vrede krijg, u weet die jongen, hij gooide zich in het water,
wou zich verdrinken in het vuur, ging niet door, hoor, waarom
niet, moest bekeerd met God verzoend, Gods aan wolven geliefd. Dus kijk, genade is een particulier
en bijzonder werk. Twee, Je moet de helse geschiedenis
zien. In de donkerste dagen geeft God
de grootste lichten. Want ouwe volks, hij vroeg, hoe
donkerder het wordt, hoe meer hoop ik krijg. Weet je wat wij denken? Als het
goed gaat, moet het beter gaan. Weet je wat een heren zegt? Hij
doet een afgesneden zakenpadden. Dat doet God. Als het bij ons
niet meer gaat, zegt hij, nou is het mijn tijd, want het licht
schijnt in de duisteren. U vindt dat in heel de schrift,
als het middernacht wordt, en ik wil daar niet op uitweiden,
zijn de wijzen dwazenmatig in slaap gevallen, het wordt donker,
maar te middernacht klinkt nog een keer de roepstem. En hij
zou gehoord worden, zie de bruidegom, komt, gaat uit hem tegemoet. Eén keer gehoord worden, voordat
hij thuis kwam, zie de bruidegom, komt, gaat uit hem tegemoet,
tenmiddenacht. Tenmiddenacht, zeg ik weer. Geliefde van dat licht heeft
ook Jezaja, die ten tijde van Hiskia profiteerde, geprofiteerd. De straf die ons de vrede aanbrengt,
was op hem. Door zijn strief is ons genezen. We dwaalden allen als schapen,
zie daar heb je het, maar heeft al onze wezen op hem doorhaald. Dus ook dat zien we, jullie. En de heren, die geeft de nieuwe
koning Eschia. Hij begint te regeren als hij
25 jaar oud is. En hij regeerde 29 jaar in Jeruzalem. En zijn moeders naam was Abiyah,
een dochter van Zacharia. Weet u nog Zacharia? Weet u het
nog? In de tijd van Jotam, Was hij
de geestelijke adviseur en was hogepriester van koning Jozam. En de dagen dat Sagaria leefde,
ging het wel met hem. En toen Sagaria gestorven was,
wekte hij af. Herinnert u zich? En deze Sagaria had een dochter. En die is getrouwd, nee, er God
voor bestemd, om met Heskia te trouwen. Kon niet met een ander.
Mocht niet met een ander. Want Hij brengt in iedere man
zijn eigen trouwens met zijn hand toe. Dus een godschalige slacht, een
godschalige schoolvader en een goddeloze vader. Dat kan gebeuren. Kan ook andersom. Een gemeente, wat staat er? Hij deed wat recht was in de
ogen des Heren, naar alles wat zijn vader David gedaan. Dat
is ook weer zo mooi, hè? Als u de verbondslijnen ziet,
ik heb het even over de kinderdoop, maar dat terzijde, dan zegt u,
ja, die vader moet bekeerd zijn, anders mag hij zijn kinderen
niet open. Nou, hij deed alles naar wat
zijn vader dacht. Ja, maar David was zerecht, was
aangesleden, dat was wel zijn geestelijke vader. Hij doet het om Davids knecht. God gedenkt zijn verbond in Christus. De lieveling David betekent Godsgeliefde,
godslieveling, om Christus wil. Welgemeentje, en nu hebben we
een probleem, nee niet een probleem, hier wordt verschillend uitgelegd.
De een zegt, hij begon met herstellen, daar moet je op letten, hij begon
niet eerst de vijanden te verslaan, want ze waren verslagen door
de Syriërs. De Edomieten hadden hen in gevangenisschap
gebracht. Andere volken, ik kan ze opnoemen,
wel zes volken hadden invallen gedaan, de Efremieten. Maar het eerste wat hij doet,
wat een syraat is die koning, de rechte erediensters. Hij zei niet eerst ik moet mijn
leger voorop maken, ik moet gaan weg. Nee. Hij zei eerst de rechten dienstig
stellen. Want lachen of strijden we leven
onder de Toren God en alleen de Gunst God sterk meer dan Duitsers
of Spijken. Dat vind je ook in het Nieuwe
Testament. Zoek eerst het Koninkrijk erheen, maar niet de bakkerij. Niet de boerderij. en al het
andere zal u worden toegevormd. Waar wij van de week nou meer
bekommend over geweest zijn. Eerlijk gezegd, hier is een jongeman
die zich meer bekommende over de rechte dienst hergeert, dan
over alle goudgoed en eer van deze wereld. Waarom? God heeft
in zijn hart gegrepen. En uw woord kan wel of schoon
ik alles mis, door zijn smaak en hart en zin is vrede, niet
het aardse, maar het hemelse Koninkrijk. Dat is het eerste wat hij doet.
Hij staat eigenlijk op die eerste dag van zijn regering. Sommigen zeggen, het was die
eerste dag van het jaar, dat vind ik ook mooi. Want het paasga,
u weet het paasga, was op de eerste dag van het jaar de uitocht
uit Egypte en die dagen werden op de eerste dag van het jaar
gedacht. U weet dat zelfs de maanden veranderd
werden met de uitocht. Moet je ook maar kijken, ik kan
het allemaal eigenlijk niet zeggen, maar het is wel waar. Want het
leven wordt pas nieuw als je uit de landen uit de diensthuizen
en zonden wordt uitgeleid. Dan begint het nieuwe jaar pas,
begrijp je dat? Verder is alles een oud jaar. Nou, sommigen zeggen, ik denk,
als je het verder leest, dan staat dat hier ook, he? De eerste dag van het jaar. Anderen
zeggen het was de eerste dag van de Koninkrijk. Beiden, wat
mij betreft, mag het, is krachtig, bij de deur. Nou, wat doet hij? Hij opende de eerste deuren van
het huis. God, ze was op slot. En die waren zo vergaan, dat
hij die deuren moest laten repareren, want anders kon hij ze helemaal
niet open krijgen. Koning Agas had de kerk gesloten. Priesters mochten er niet in,
en de lichten die altijd moesten branden, die daar s'nachts het
huis bewaakte, die psalmen, die lichten waren uitgegaan, geen
olie en niet getrimpt. Er werd geen reukoffer meer gebracht
en geen brandstof. De deuren dicht, Agas had de
dure spullen, goud en zilver, weggenomen en alle instrumenten
weggegooid. Hij had zelfs een afgevolde offer
daar neergelegd, waar hij alleen nog zelf offerde, naar het offer
van de koning van Assië. Nou, in de eerste plaats dit.
Soms kan je niet begrijpen waarom God dingen toelaat. Kun u dat
begrijpen? Dat is altijd een vraagstuk,
hè? Waarom heeft God de zondeval
toegelaat? Waarom laat die dit toe in mijn
leven, of in het leven van mijn kind? Ik weet er maar één ding van
te zeggen, het licht gaat op in de duisternis, en soms laat
het zonder donker worden, opdat het licht wordt, en wat kan ik
er verder meer zeggen? Dat is wat Dordt leert, dat is
het soeverein handelen, God. Maar daar weten we zelf ook wel
van als we genade kennen. Hoe donker ooit Gods weg mogen
wezen, Hij ziet de gunst op die hem vrezen. Hij laat het toe. Om heerlijk te schijnen, met
het licht zijne genade, Gemeente, hoeveel kerkdeuren zijn er gesloopt
in Canada en Nederland? Ja, er gaan nou maar twaalf naar
de kerk. Als hier vanavond twee gezeten
hadden, had ik met liefde gepreekt, want de heer Jezus ging voorheen. Ik ga nou wat verder zeggen. Wij brachten in Oost-Europa wel
eens bijbels. in de tijd van de vervolging,
en toen gebeurde het in een van de Tsjechische steden, dat een
dominee een kerk had en zag geen raam meer in. Maar elk ochtend
luidde hij de klok, en s'avonds deed hij de deuren open om een
dienst te houden, en als er niemand kwam, bad hij alleen in vanzelf
op het zalmpje. Want die man die preekte niet
voor mensen, maar die preekte voor God. Ja, maar er komen niet genoeg
meer. Kunnen we niet betalen. Nou, het is gratis hoor. Hij heeft niet betalen kunnen
houden toch. Nou, we doen de deur maar dicht
hoor. Ja, als we er twee duizend hebben,
dan doen we nog een paar extra deuren erbij. Ja, dat weet ik
niet. Maar Agas houdt uit moedwil,
uit veilschap de deuren gesloten. De dienst ter verzoeding. Verstreden en afgesloten. Tot oneer van God en tot troosterloosheid
van ziel. En wat doet nou Heskea het eerste
in zijn koninklijk ambt? Hij zegt, de deuren van de kerkel! En hij liet ze repareren. Ze hingen natuurlijk in die,
ja, ik weet niet, hengsels. Ja, dat was ook niet in mijn
muil. Hij zei, het moet open en dicht kunnen. S'avonds gingen sommige deuren
dicht. Dan moet het weer geopend worden,
zorgens, toch? Dat licht aangestoken, de offerdienst
waargenomen. Hij opende de deuren van het
huis desheer en repareerde ze. Oemeente en beterde ze staat. Twee. Je kunt een open kerk hebben,
maar je hebt dienaren nodig. Het bijzondere ambt. Dus het tweede wat hij deed is,
Hij bracht de priesters en levieten in en verzamelde ze in de Oosterstraat,
dat is een grote ruimte voor de oosterlijke poort. En daar verzamelde hij ze. En
hij ging ze toespreken. Twee. Hij riep de geroepen knechten,
en ik zeg niet of ze allemaal de heren vreesden, alleen ze
waren geroepen tot deze dienst naar het geslacht van leven. En hij roept ze tot de dienst,
En hij zegt, kom samen, zegt hij, in de Oosterstraat. Je kunt een open kerk hebben,
maar waar je om vragen moet is dat God ook hier in dit land
dienstknechten uitstoot. Geroepen krijgt. Dat hij ze roept. Uitstoot in de dienst, zegt hij. Kleine kerkjes vullen. Houd hem
maar op, is toch geen toekomst. Hoe weet u dat? tot de dienstververing. Priesters, om het offer te bedienen,
de levieten, om in het voorhoofd de dingen te ordenen. Hulpen van de priestersgemeente. Dames en heren, het is zo dat
Paulus zegt, Hij zegt tegen Timotheus en zegt
die tweede, heb acht op de leer en dat u dienst zuiver doet.
Nee, hij zegt, dit moet je lezen, heb acht op uzelf en op de leer. Hij zegt tegen die priesten en
levieten, heiligt u, zondert u acht op de heilige dienst van
de Heer. Dus een dienst met de heren moet
eerst acht ook een kind van God op zichzelf hebben, voordat die
acht op de leker hebben. Een ouderling zei eens tegen
mij, dominee, het is een verschil wie het zegt. Het is wel waar. Gij is ook mijn getuige, zeg. Heb acht op uzelf, Timotheus,
en op de leger. De priesters mochten niet dienen,
tenzij ze gewassen waren, lichamelijk en hun kleren. Ze moesten zich reinigen, afzonderen
van het dagelijkse werk tot de dienst van de Heer, geheel. Slater zegt hij, wees niet lui,
wees wezig, in de dienst van de Heer. Ik ga nog wat zeggen. Want een priester mocht alleen
dienen in het witte kleed, als er geen vlekken op waren. Die
moesten elke keer gereinigd worden. Dat witte kleed had vanonder
die blauwe draad. Dat was het priesterkleed. Heer
Jezus, naar mijn stellige overtuiging en zekerheid, heeft Hij altijd
dat priesterkleed gedragen. Daarom, die vrouw raakte de zoon
van z'n kleed aan. Dat kleed wordt, ook als die
gekruiserd wordt, niet gescheurd, want het was van één stuk geweefd.
Het wordt verdommeld. De hoge priester droeg een wit
kleed. Weet u wat dat schijnt? de rechtvaardigmakingen
der heiligen, kleed van Christus, bedekt die zon daarmee. En daarom kon een priester niet
dienen dan alleen in Christus, in dat witte kleed typologisch.
Je zegt, ja, goeie dominee, ook, slechte dom, ook. Is die in Christus bekleed? met de gerachtigheid Christen. Daar gaat het om. Hoe kun je in de gemeenschap
opstaan buiten Christus? Daarom echte dienaren, ouderlingen,
diaken en predikanten, horen mannen des geestes te zijn. Verkeerd! En dan heb ik wat tegen hem gezegd
natuurlijk, als je veertig jaar rondloopt en zegt dat je geen
goud hebt, neem je zilver. En dat je geen zilver hebt, neem
je koper. En dat je geen koper hebt, neem je ijzer. En dat je
geen ijzer hebt, neem je geroest ijzer. Beter omgelegen dan meegelegen. Wij hebben de nood op z'n lichtst
geheeld. Want de Heere zegt, vraag de
Heere des Oogsters dat die arbeiders uitstoten in z'n wijken. Zo heel mooi een uitleg uit onze
laatste gemeente Alblasserdam, meneer kandidaat van Mechelen. In onze tijd, hij was al afgestudeerd
eigenlijk, maar hij zegt, ik heb geen goddelijke roeping,
ik kan zomaar niet predikant worden. En met die nood verkeerde
hij veel, tot op een dag zijn gezicht plaarde op en ik sprak
met hem. Hij zegt, zondag is er een wonder gebeurd. Ik zei,
wat dan? Hij zegt, de heer heeft gezegd,
volg me, zei hij. En dan moet ik alles loslaten,
zegt hij, om te volgen. En dat kereltje lief gekregen
hij mij. En dan ga ik nog wat zeggen. Toen kreeg hij een beroep
naar Nieuw-Lekkerland. En toen zeg ik, hoe is dat toch
gebeurd? Toen zegt hij, de kerkraad wist
dat hij komen moest. En ze hebben al het beroep in
z'n werk stilgelegd totdat die beroep bij was. Dat is weg. Maar je moet niet in een vijvertje
vissen, dat je de een niet hebt, neem je de ander. En als dat domineeje niet goed
is, wie weet komt er een nieuw kandidaat jou. Weet je dat? God roept zijn knechten tot de
heilige dienst. Ja? En als je geroepen wordt
tot de heilige dienst, komt er een mede getuigenis van de heilige
geesten, ook in de harten van Gods volk. Ik weet al dat die dominee daar,
Holland, Meneer Holland verhoort. En hij doet niks. Hij was een
godzalige leraar geweest. Hij moest naar Driesen. Nou,
hij zegt, wat moet ik in dat noorden doen? Maar daarneer had
een van die vrouwen, die de heren vreesde, gezegd, Holland komt. Maar Holland had de brief al
op de bus gedaan, ik kom niet. En ze zegt, dominee, dominee,
zegt ze, dominee, dominee. En ze dwongen. En er zijn in
die tijd achttien mensen tot ruimte gekomen, tot waarachtige
bekeer, heilig te doen, tot de rechte dienst werd scheer. En
dan zal ik je nog eens zeggen, mensen, wie zelf loopt en de
eer aanneemt, wordt niet gezegen, maar die verroepen wordt krabdadig
en inwender bediend door de Heilige Geest, want het is Gods werk. Kan hij dan niet een onbekeerde
dominee gebruiken? Jawel. Maar uiteindelijk gaan wij daar
niet over. Maar het gaat over de ordelijke
weg. En de heren zeggen tegen die
dienstknechte, heiligt u, zondert u af tot de dienst. En dan moesten
ze dat witte kleed dragen. De fitonaise, het priesterkleed. Dat is hetzelfde woordje als
in Genesis, waar Adam en Eva mee gekleed zijn. Dat zijn dierenvader. Weet je wie ze ook straks hebben?
Die 144.000 zijn gekleed in witte klederen, witgemaakt in het moedersland,
om God te loven, eeuwigheid en tempelhemd te dienen. Zo noodzakelijk,
he? Heerlijk voor dienaren, ook voor
mensen die tot bekering moeten komen, gekleed met de gerechtigheid
van Christus. Gewassen! Daarom was dat grote
watervat daar, he? Daar moesten ze zich aan wassen.
hun kleren, hunzelf na, geheiligd, tot de dienst van de Heergemeente. Ja, hij zegt, hoort mij, O Levite,
heiligt u zelf, heiligt het huis des Heren. Nou, en als ze dat
doen, moeten ze het huis des Heren heiligen. Dus zelf geheiligd,
en dan heiligen, dat vuile alta van Achers eruit. Al die vuile afgoot eruit, want
hij had allemaal van die platen aan de muur geschilderd. Echt. Al het vuil hebben ze in acht
dagen geruimd uit de tempel en nog een keer hadda. En weet je
waar ze dat gebracht hebben? In de beetkinderhotel. Daar ging al het vuil van de
tempel heen. Heer Jezus ging erover op weg naar het zemen
heen. Hij is vuil gemaakt, ik zal u
van uw afkeringen, van uw vuiligheden, onreinigheden genezen, zegt de
Heer. Hebben ze acht dagen en nog acht
dagen over gedaan. Weet u wie de tempel ook gereinigd
heeft? De Heer Jezus. Want hij wisselt,
het is geen aankoopmanshuis, zegt hij. Hij wisselt zo die tafeltjes
om, waar ze duifjes verkochten. Die maken van de gozer niet een
handeltje. Hij pakte ze dan. O, zeggen de fariseer, wie geeft
u dat? de machter toe. Hij zegt, dat
vertel ik niet. Als je eerst vertelt waar Johannes
de dooproep de macht gedaan heeft. Als je dat nou vertelt, zegt
hij, zeg ik het ook niet. Nou zegt ze, weten we niet hoor.
Hij zegt, dan vertel ik het ook niet. Maar je zult weten dat
ik macht heb. Dus dat huis werd klaargemaakt. De instrumenten waren kapotgebroken. Aga zat alles weggegooid op de
vuilnisrond. Tegenwoordig zijn het allemaal
oude wedstrijden. Moet niet zo'n oude wedstrijd
doen. Nee joh, we kunnen ook een toneelstukje
opvoeren in de kerk. Brengen ze ook mee. Een stukje muziek. Maar niet
die perzalmen. Nee, zo'n oude wedstrijd. Haar gaan ze allemaal weggooien. Statenvertuigen weggooien. Veel
beter. Er zijn inmiddels wel 10 vertalingen,
die zijn ook allemaal nieuw. Weet je wat ze gedaan hebben?
Allemaal die oude Bijbels weer opgehaald. En die oude Barsalama. Nou, zo
plat praten, ja praten. Maar je moet er maar op rekenen. Als het verval doorgaat, dan
weten we niet wat we overhouden. Dan krijg je allerlei koortjes.
Allerlei dit en dat. Maar straks zingen ze de psalmenhavens.
Weer in de tempel. Moet je maar lezen. Dus al die instrumenten die je
nodig had om dat vlees uit die potten te halen als het gekoopt
was, om te slachten. Die tafels waarop dat vlees werd
uitgestald. Dat bloed in die bekken zit allemaal
weg. En weet je wat die Leviten doen, wat kapot was, hebben ze
gerepareerd. En het is zelfs zo, dat is Kia
de deuren weer met goud bekleed heeft. Later trekt hij het er
af. Maar daar heb ik het nou nog niet over. Hij maakt de kerk des heren als
een huis gods. Moeten wij ook doen. Het moet
een huis gods zijn. Een huis des gebeds. Nou, het
hoeft allemaal niet zo luxe, want dat hoeft niet. Maar het
moet wel deftig zijn, want de dienst des Heer is een deftige
dienst. Want Hij is de Koning der Koning
en de Heer de Heer. Nou, vroeger zeiden ze, kerken
van hout, een domein van hout en nou de kerken van hout, een
domein van hout. Nou, dat is misschien, weet ik
niet. Maar ik zeg één ding. Is de Heer niet waard dat zijn
huis eerbiedig is? Of moet je eigen huis mooier
zijn dan Gods huis? Nee, toch zeker. Huis des gebeds. Huis des gebeds. Heer Jezus keert het om en al
die mensen die revieten halen de spullen weer op en het moet
weer zoals vroeger ook weer. Tegenwoordig wat vroeger is,
is uit de tijd. Nee, God is boven de tijd. He, eeuwigheid. — Ja, maar je kan de mensen met
die leer niet meer afspreken, zegt hij. Ik dacht, van de week
moet je dat gezond doen en mooi houden, trouwens. — Dominee, moet je altijd naar
de kerk eens, zegt hij. — Nee, hoor. Je moet het wel, maar als
het moeten is, niet zo best, hoor. Ik zeg maar, ik heb een
vraag aan je. Als je nou geld nodig hebt, waar
ga je dan naartoe? — Naar de banken, hoor je, ik
zeg. Maar ik zei, je hebt vast nooit gehuld nodig, dus onbedenk
niet. Maar ik zei, weet je wat er ook
in de kerk kan gebeuren, kun je bekeerd worden. Want het geloof is door de prediking
van het woord. Ik zeg, het zal toch wat wezen. Als je een keer in de kerk niet
bent en de heer zegt, het liep net om je te zoeken, de dame
is over zijn werk te leren, niet, dat weet ik ook wel. Kijk dat gedicht van die Doornenkroon. Moet je dan ook zeggen, ik heb
niet geweten. Dus ja, haal alles weer op. Die oude formulieren tegenwoordig
vertalen ze met nieuwe formulieren. Niks mee te maken. En ze herstelden het. Alles was klaar gemeen. Toen
hadden Fessie zingen nog. 68 vers 1, kijk, dan gaat een
heren strijden voor zijn eigen zaak, eer en dienst. 68, eerste
vers. Die heren zal opstaan tot de
strijd en wat er verder. de de de de de de van de eeuwen verlaat, en de
eeuwen verlaat, en de eeuwen verlaat, en de eeuwen verlaat,
en de eeuwen verlaat, Heilige, heilige God Ja. Dan zegt hij twee dingen, de
zonde van het volk. Hij zegt, ze hebben de deuren
van het voorhuis toegesloten, de lampen uitgeblust, het reukwerk
niet gerookt, het brandtoffer hebben ze in het heiligdom niet,
aan de God Israels geofferd, en daarom is een grote toren.
Hij zegt, wat de oorzaak is de zonde, de rechte dienst des Heren,
de dienst der verzoening is niet waargenomen, en nu torent God. Hij zegt, er zijn 120.000 mannen
gevallen, weet u nog, vrije week, in een grote slag. Hij zegt,
en vrouwen en kinderen heb God teruggebracht. Weet u nog, het
was tevangelie, ze werden gekleed. Hij zegt, heb ik verdiend. Hij zegt, nou is het in mijn
hart, en dan gaat hij, en dan gaat het erover, want je kunt
een dienaar hebben, je kunt een open deur hebben en een gebouwtje,
maar het gaat om één ding, het offeren. Hij zegt, en nu is het in mijn
hart om een verbond te maken met de Heer. Heel mooi. Er staat eigenlijk om een verbond
te snijden. Een verbond is een beritenis
wat gesneden wordt. God snijdt een verbond. Hoe ging dat? Wel, dat weet u
uit Abram. De geschiedenissen van Abram.
Een verbond werd gesneden, dus de reine dieren, behalve de vogels,
werden in tweeën gesneden en winden een pad met bloed. En dan was het zo, dan gingen
eigenlijk de twee bondelingen, die gingen samen door dat pad
met bloed, maar u weet nog die geschiedenis, het is godsverbond,
En dat is geen samenwerking, maar dat is soeverein welbehagen,
want Abram valt in slaap. En dan ga ik wat zeggen, dat
kan je misschien niet verdragen, maar is wel waard. Gelukkig. Weet je wat hij tegen Peter is
gezegd? Slaap nou voort. Kan je het verdragen? Psalmon, Psalm 3, ik lag en sliep
gerust. Is mij te makkelijk, dat dacht
ik wel. Weet je, het is veel zwaarder
om gerust te zijn, dan om te werken. Niks doen is zwaarste
werk. Want degene die niet werkt, maar
gelooft in hem, die een goddeloze rechtvaardig dienst gelooft,
wordt gerekend tot gerust. En nou, ik voel jou professeren,
ik voel het alweer. Ik geloof dat u met een beetje
doenaanzaligheid gekomen is, ja, maar dan beiden niet, want
het is uit hem, door hem en tot hem. God snijdt alles af! Je preekt ze leidelijk, ik heb
zondag ook gezegd, dan krijg ik altijd bezwaren, zeggen ze,
jij preekt ze leidelijk, zeggen ze, collega's. Ik zeg, ik moet ze doodpreken,
kan ik ook niet hoor. Maar dood is nog minder dan leidelijk,
want de doden kan niet zien, niet roepen en niet vragen. Maar
God wekte op uit een grap. He? Toch? Want Paulus zegt, ik ben gestorven.
Hij zegt, maar ik leef. Maar hij zegt, niet meer ik. Dus die man, die geloofde niet,
tot dat God hem opwekte. Toen kreeg hij nog de geloof
over. Die eindigde met alles in de
dood. En Christus werd zijn leven.
Nou, dat is het. Kijk, we zijn bijna allemaal
van die zieke mensen. Maar God leert de doodstaat.
En dat moeten we zelf ook leren, willen we van God geleerd zijn. Het is uit u, voor u en tot uw
poed. Hij zegt, en nou is mijn in mijn
hart gekomen om me verbonden naar God te snijden. Nou hier staat nou eigenlijk
niet dat Heeskia zegt, nou ga ik de nieren weer dienen. Heb
je het gelezen? Hij zegt ook niet, nou dat overkomt
ons niet weer. Die man kende zichzelf een beetje. Tegenwoordig zeg ik, dat overkomt
me niet meer en hoe ga ik dat doen? Er komen twee dingen in
het hoofdstukje naar voren. Hij gaat schuldbeleid doen. Hij
zegt, wij en onze vader hebben gezondigd. We hebben dat verbond ter genade
gebroken. We hebben de deuren van het huis
dichtgemaakt. Dat offer der gerechtigheid was
niet meer nodig. Reukwerkte zijn de gebeden niet
meer nodig. Maar dan moet je goed begrijpen,
dat gaat niet om ons offer. En dat reukwerk zie ik niet op
onze gebeden. Dat is alles typologisch. Dat
zie ik op het offer van Christus. Als een lamje zaaien werd hij
terslachting geleid. Als een schaap dat stom is voor
het aangezicht van zijn schip. Weet je wat Hestia zegt? We gaan
dat verbondsgeluid dus schuldig worden aan de overtredingen van
dat verbond. om opnieuw te slachten met zeven,
he, zeven, zeven, zeven. Ik kan niet op elk tekstje, nou
ja, maar zeven zeg, dat is Christus, he. Wie is de bondeling? Ik. Dat is Christus. En in Christus de kerk. Het schaaf van Abraham, zegt
Paul, is ingelaten, is maar één. Christus. Daarom was het zeven, zeven,
zeven, zeven. En dan moet je zien wat er gebeurt. Dan slacht hij die dieren en
dan gaat hij het bloed op het altaar leggen. God eist voldoening. In het brandtoffer geschieden
twee dingen. Het bloed werd gesprenkeld om
het altaar, dat schiet op de toepassing aan de kerk, maar
het werd eerst gesprenkeld op het altaar. Waarom? God eist betaling. En u kunt niet betalen, grijpt
u zonder dagelijks meerdergemak. En daarom zegt de Heer Jezus
in Psalm 40, Vader, ik kom om U wil te doen. Slachtoffer of
brandoffer, hebben U niet beaagd bij de rol van mensen als God
voor je betaald. Jong is het betaald in Christus. En Hij kan alleen betaald worden
met de dood van zijn lieve Zoon. Want eer die de zonde ongestraft
liet blijven, heeft hij die gestraft aan zijn enig geboren kind. Kijk, u kunt wel zeggen, ik doe
dat niet meer, maar ik doe het wel weer. Ik heb ook weleens gezegd, ik
doe dat niet meer. Ik wil dit niet meer. En ik wil
het ook niet. Maar ik doe het wel. Hoe word
ik van mijn eigen verlost? Zit er hier nog van die mensen? Weet je hoe je van je eigen verlost
wordt? Als hij betaalt wat hij niet
schuldig gemaakt is. Als hij voor een ander gaat betalen. Heeft hij ook voor jou betaald,
mijn kind? Want daarin is alleen vrede. Daar kun je niet aan afdoen en
daar kun je niet aan toe doen. Want het bloed van Christus God
is onredig, van alles onredig. En daarom werd haar bloed op
het altaar gesprengd. Mooi is dat niet? God eist bloedverzoening. En daarom roept dat bloed uit
aan het kruis van Golgoed. Haar tegenlijstheid is hoger. Maar dan moet dat ook toegepast
worden, ja. Dan heb ik een tweede ding. Want dat vindt u ook in die offers.
Zeven bokjes. Zondoffers. En daar staat, en
ze moesten de handen op die bokjes leggen. Dat moest gebeuren op Grote Verzoendag,
maar dan waren het er zeven. Dus als die priester dat bokje
kreeg, dan zette hij dat neer voor de offeraar en dan zei hij
tegen die anderen, dan zei hij tegen die mensen, leg je hand
erop. Nou wat zou dat nou betekenen? Weet je dan? Hm? Weet je dat geestelijk? Maar kijk, je ging wel bij de
ceremonie blijven, maar ook persoonlijk. Weet je, zouden we eens beginnen
bij het begin? Weet je wat dat betekent? Bokje, jij moet sterven,
maar dat is mijn plek. Ik ga me kusselen. Begin daar, hoor. Begin daar! Als je daar niet
begint, heb je geen dienst aan de verzoening. Geen dienst. Daar
begint! Leg je handen op het hoofd van
dat bod, en dan moet je zeggen, is mijn plaats! Ooit geleerd? Aangezien we dan naar het rechtvaardig
oordeel Gods tijdelijk en eeuwige stappen ontlopen. Nee! Zit hier nog eens om waar die
Moesheik, dat heb ik verdiend. Zelfs een ontvangen genade, ziende
op zichzelf. Niet op Christus, hè? Dat is
betaald. Maar ziende op zichzelf. Kijk, er zijn wel mensen die
zeggen dat ze ontdekking hebben, maar ze zijn vaak met de ontdekking
gered. Dan zeggen ze, ja, maar ik ben
een zondag, dus ik heb een beginnetje van de genade. Ik geloof er niks
van. Als je een zondag bent, dan ga
je op weg naar de... Hoe bekeek je? Dan leg je de hand op dat kopje
en dan zegt de Heer, hier heb je een lamp. Leg je hand erop
en dan moet je zeggen, lamp van God. Het is mijn plek, mijn oude
wonden, nou zeg het tweede. Als jij nou mag zeggen doorgenade
is mijn plek, weet je wat dat lammetje dan zegt? Ik neem uw
plek. Gaat u maar naar huis. En gezijd vrij en ik ga sterven
voor u. Is dat? Dat is een schuldoffer. Dat is niet alleen een zondoffer,
dat is een schuldoffer. En als God je nou bekeert, dan
krijg je daar verstand van. Dan zeg je niet, ik heb spijt. Spijt. Altijd mensen hebben spijt. Weet je wat spijt is? Je wou
dat je het niet gedaan had, dan was zo'n broer het nog niet. En dan kom ik mensen tegen en
dan zeggen ze aan mijn oma, had ik het maar niet gedaan. Ik zeg,
dat hoef je nou niet meer te zeggen, dat laat ik. Je hebt
het gedaan. Ja, had ik maar. Ik zeg, dat
is de helvolg. Had ik maar. Hou je op zo te preken? Nee,
ik hou niet op zo te preken. Maar als nou die heren je bekeert,
dan krijg je smat in je zicht, dan ben je schuldig. Omdat je
gezondigd hebt tegen de wet en tegen het evangelium, heb je
de heren Jezus in zijn gezicht geslagen door ongeloven. Weet je wat je dan gaat leren?
En ik zeg het weer, maar u vindt dit heel de schrift. U doen is
rijn, u won is gans. Echt vader, daar stond één na
beste plek in je leven. Als je geen handen meer hebt
om te pakken en geen voeten meer hebt om te lopen. Als je zonder
voor God mag worden, want dan doet die je geen kwaad meer. En dan ook even wonder. Als dat een vlakveld wordt in
je leven, dan zegt dat lam en dan kijkt die je aan en dan zegt
die, jij kunt niet betalen. want je kunt dat prijsje niet
betalen. Hij zegt, dan ga ik voor je betalen. En zijn kruis opnemende ging
hij naar Golgotha. En toen werd hij schuldig aan
de schuld van zijn volk, omdat dat volk vrijgesproken zou worden,
hier in hun ziel doorgenaden, straks op de dag der dagen, Als
hij zou zeggen, kom in, ga je gezegende van mijn vader en beerf
het koninkrijk. Kijk, daar is dat schuld over,
hè? En dan neemt de priester dat
bokje, snijdt hij zijn keel, de domer heeft hij, stop zo te
krikken. Want uw zonde eist de dood van
Christus, en met minder is de vader niet tevreden. Maar als Christus dat ook betaald
heeft, dan vraagt hij niet twee keer betaling, want versvult
u volks. Hebt gij het u ook gedaan? Ook ziet ge geen van hunne zonden
aan. Hij vindt in gunst en niet in
wraakse lucht. De hitte van zijn landschap is
geblust. Moet hier belegd worden. Wordt
hier belegd. O, een nieuw mens. Die proberen niet te ontsnappen
als ze schuldig zijn. Judas, die probeerde te ontsnappen.
Hij zegt, die 31 penningen, hij zegt, die branden in mijn zak.
Hij zegt, weg ermee, dacht ik, misschien red ik het. Kwam in de wang ook terecht. En hij vering zich. Maar ik weet eropheen, die heb
opgevloekt en de Heere Jezus gespuugd. Peters, nieuwe aardbellen. En toen heb de Heere Jezus hem
aangekeken, toen heeft hij gezegd, ik hou nog van je en ik ga dit
ook betalen. En voordat hij het deed, heb
ik al gebeden, want ik dacht, dat gaat hij zeker doen me verrijden. Het werd gezegd, vader, dat ze
geloof niet opbouwen, want ik betrouw. Weet je wat er alweer in mijn
hart is? Alles wat aan hem is, is gansbegeerlijk,
zulke kleding en liefde. Die zorgt voor zijn vader, en
als die voor het recht des vaders zorgt, zorgt die voor de zielen
van de kerk. Want kijk, hij doet het niet
voor u, hè? Hij doet het voor God en daarmee
voor u. Als u hem vrezen mag. Hé, jongen, krijg God zijn ransoen. Want hij eidt bloed, en als hij
bloed ziet, gaat hij voorbij. Maak eens vraag, is dat ook in
jouw leven gebeurd, dat Tom? Ja, maar je moet de bevinding
niet prikken. Zeker als stijl, historisch geloof. Dat zou ik niet doen. Want het volk weet uit welke
nood en dood ze verlost zijn. En die hebben die vrede en die
liefde geproefd, die alle verstand. Hadden we het meer moeten, we
leefden nauwelijks. Ja, maar het is toch nog hetzelfde.
Ja, het is hetzelfde. En weet je zo mooi, Dan ben je
hier in dit chroniek, als nou die brandtoffers en die offers
gebracht werden, begonnen de levieten de een, de levieten
begonnen met aardappelspelen. Een beetje, ja, he, nou ja. En de priesten met de trompetten. En wat zongen ze? De psalme Davids. Gij hebt mijn ziel door angst
beroerd. Hoor je ze zingen? Dat zou een
mooie reis geweest zijn. Weet je wat ze daar gezongen
hebben? God heb ik lief, want die getrouwe Heer, hem hebben
ze maar gespeeld. En dat brandt of we maar branden. En die bezalmen Davids hebben
daar geklonken op dat schoongemaakte tempopleintje, dat bloed en verzoening. En ze zongen de bezalmen Davids
naar de profeet Gad en naar de profeet, leest u wel he? Die hadden gezegd, we doen. Dus de één die was op de harp
aan het zingen, had David ingesteld. Ze hebben die psalmen van David
gezongen en van Nathan. Ja. Hebben God geëerd. Nou, ze hebben
geklaagd in die psalmen. Wie niet klaagt, zal niet juichen.
Maar ze hebben ook gejuicht. En ze zijn geëindigd met God
groot te maken. Geloofd zij God met diepste ontstaan. Hij verlaat ons. Ik geloof, weet je wat? Dat is
een voorsmaak hier van de hemel. Want in de hemel praten ze niet
meer. Tegenwoordig zijn ze praten in de hemel gewoon niet meer. Want ik geloof dit. Ik zal eeuwig
zingen van zijn Goed. En we zingen allemaal met nieuwe
stemmetjes. Er zal geen valsflankje meer
wezen. En weet je wat zo mooi is? En ze worshipen, ze aanbaden
God. Kijk, de komende tijd in het
leven van de kerk hebben ze gebeden, geroepen en zo. Ze hebben geroepen
om genade. Maar als ze genade krijgen, gaan
ze niet meer bidden, gaan ze aanbidden. Versta je het verschil? Kijk, bidden is zo. Mag wel, maar hij zei open je
moed. Hij zei, en weet je wat aanbieders
er zongen? Zeda moet eeuwige hulp vangen,
en woe, hem woe. O die mensen hebben jaren niet
gezongen, nou zingen ze voor drie keer. Ze hebben jaren dat offertje
niet meer kunnen brengen, nou zingen ze dat offertje. Maar ik was vraagd, had hij ook
al eens meegezongen? Ik geloof dat ik me niet bedrieg,
maar dat bedrieg ik me niet, want dat weet ik zeker. Toen de heren me zieren, hadden
wij een geluid in de trein gezongen. Ze zeiden, die man is niet goed
geweest meer. Want hij in de trein had gezongen,
God heb ik lief, wat hij getrouwen heeft. En ik wou dat hele trein
zin had horen, want hij had me gered uit de angsten van de hel.
Ja, een Christus. Hij heeft ook weleens gezocht,
achter je werkbandje. Hij heeft weleens met die priesters
meegezongen, die dienstlechter des tegeren. In de voorhoven
des tegeren. Want kijk, daar kun je eigenlijk
niet over praten, maar daar kun je wel bij zingen. Met een voorbedacht
lied op de harmen. Het is al 290. Het is de Sabbatskamp. En dan staten en dan eindigden
ze zich en dan bogen ze zich voor God heer, het volk en de
koning, eerst de koning. Zie hem plat op de grond liggen. Want als genade verheerlijk wordt,
vraag ik naar niks. Dan is genade verheerlijk, dan
wordt God alles en ik niks. Zalig, zalig, niks te wezen. En de koningin voorop. Heel zijn
kleren in de modder, niet waar. Nou ja, het had hem niet gerekend.
Het had hem niet erg geweest, hoor. Die plak op de grond is. Het volk bij hem. Ik geloof dat er straks is. Maar
dan ga je niet meer liggen. Dan mag je staan. Want ik zie
de kleine grootstaande voor de troon gods in het land. Ik zie
dat kleine eendje wakker is, zeven maanden over is voor de
troon. Ik zie mijn oude vader voor de
troon van Siadram, Isaac, Jacob. Oh, kijk niet ver, ik zie de
Heere Jezus met eer en heerlijkheid gekregen. En ik hoef nooit meer
wat anders te zien. En ik hoor ze zingen, lees maar
op, met nieuwe zangen, met een nieuw lied, dat niemand kan zingen
die ik van God geleerd heb, die kan alleen zingen. Deze bestaat
in Oekbaar. Tja, was dat een mooie kerkdienst,
he? Ik geloof dat die mensen gedacht
hebben, ging die maar nooit meer uit. Tenminste, heb ik wel eens gedacht.
Ik dacht, ging die maar nooit meer uit. Ik dacht, als het straks begint,
dan hoop ik dat het nooit meer uit gaat. Maar dat vinden we
niet. Dan zingen ze, en dan bidden,
buigen voor God neer, heb ik de grote lijden bang. Dan wordt dat verbond opnieuw
bevestigd, één Christus, de wonderling. Niet wat ik beloof, maar wat
Hij belooft en doet, daar leef ik van. Wat een armzonder, niet een armzonder,
een schuldigzonder, daar leef ik van. Nou, dan vraag ik maar aan je,
wie heeft nou lust een herder te vreden? Wie dan? Zitten er nog die een vinger
op willen steken? Hoe nieuw! Maar er staat wel
bij, allerhoogst en eeuwig goed, God zal zelf je leidsma wezen,
leren hoe je wandelen moet, en goed dat nimmer leven gaat, zullen
ze ongestoord vertrekt, in Christus. En het God geheiligd staat wat
leren gaan jonge mensen optrekken. Ik geloof dat maar. Soms ga ik het niet meer geloven,
maar het is wel waard. Het hangt aan mijn geloof op
te houden, ja. Ik herinner me nog die vrome
kinderen gods. Sommigen zijn nu antreffermeerd
predikant in Utrecht of elders. En we hebben daar, ja, ergens
op die gezelschappen gezeten. Dan belden ze me op en zeiden
ze, Doomwezen komen aan door goddelijk licht gelijk. Er zullen nog jonge bekendse
bekend worden. Ik geloof het ook. Ik heb het ook trouwens
gezien. Misschien middernacht. Als je denkt, gebeurt het niet
meer, dan zegt die heren, dan ga ik het doen. Want anders denk
je zeker dat je ook nog meewerkt. Wij hebben het in het hart van
Ischia gegeven, en wat is dat een mooie dienst geworden, God
in Christus verhoogd en de zon daar op het diepst vernegend. Dat zal om Jezus wel alleen,
want zijn naam moet eeuwig eer ontvangen. Amen.
2 Kronieken 29:1-29
| Sermon ID | 119141235368 |
| Duration | 1:24:40 |
| Date | |
| Category | Midweek Service |
| Language | Dutch |