00:00
00:00
00:01
Transcript
1/0
Laten we dan beginnen. Onze hulp
en onze enige verwachting sta in de naam des Heren, Heren,
die hemel en aarde geschapen heeft, die trouwen houdt en eeuwig
leeft, en die nooit laat varen enig werk, dat zijn hand begonnen
is. Genadezij U en vrede van hem
die is, en die was, en die komen zal. 7 Geesten, die voor zijn
troon zijn, en van Jezus Christus, die de getrouwe getuige is, de
eerstgevorene uit de doden, en de overste van al de koningen
der erde. Amen. Laten we ons samen zijn
aanvangen met het zingen van Psalm 119, nu het vijfde vers. Psalm 119, vers 5. Ja, door al die jaren. Heeft
zijn werk ook zijn waard. Doe geen doos in de hoogte jullie. Verweer al zijn. MUZIEK. O, Zon, neem uw keuze naar ons. voor degenen die hier niet eerder
waren. Psalm 119 is een psalm met 22
stukken, stukjes. En elk stuk begint met een letter
van het alfabet, het zijn 22 letters. En elk stukje heeft 8 versen. Sommigen hebben 7 versen, maar
Dat is ongeveer de orde 8 verder, per stukje. We hebben de eerste
8 gehad, dat is met de eerste letter van het Hebrewse alfabet,
dat is de alfa. En we lezen nu het tweede gedeelte,
dat is de letter beet. Ook wel b, de alfa is de a, b
is de beet. En we lezen het volgende, tot
het heilig en onfeilbaar wordt. waarmede zal die Jongling zijn
pad zuiver houden, als hij dat houdt naar uw woord. Ik zoek u met mijn geheden hart,
laat mij van uw geboden niet afdwagen. Ik heb uw reden in mijn hart
verborgen, opdat ik tegen u niets zou zondigen. Heere, gij zijt gezegend, leer
mij uw inzettingen. Ik heb met mijn lippen verteld
al de rechten Uw monds, ik ben vrolijker in de weg Uw getuigenissen
dan over alle rijkdom. Ik zal U bevelen overdenken en
op Uw paden letten. Ik zal mijzelf vermaken in Uw
inzettingen. Uw woord zal ik niet vergeten
tot zover. Laat ons des Heren aanzicht zoeken. Heere Gert Inge, waar we toch
mogen geloven, thuisgaat. Het was voor hem een sterfweg,
op alle manieren. Een afsterfweg. Er was groot
verschil tussen sterven en afsterven. Het afsterven is het afsterven
van de zonde in ons vlees. Het is het heensterven naar Kuur. Of het is sterven. De dood, de dooderven. Heren, gedenk de familie, Wim
en anderen, kleinkinderen, andere familieleden. Ver weg of wat
dichterbij. En dat ook deze stem een roepstem
werden. We horen veel stemmen, maar we
hebben een roepstem nodig, een wekstem. Want het slaap des doods op te
wekken. Want doden zullen horen de stem
van de zonen gods en ze zullen Die mensen krijgen oren en die
gaan uw woord horen, misschien voor de eerste keer. Als U hoort, U spreekt het. U mogen daartoe ook dit avond
u de schriften openen. En alle gedenken die ook deze
week meeluisteren, de zondag of door de week, en heiligt deze
roepstem aan ons alle hart. Ach Heren, we kunnen het minste
niet, maar U zegt dat hoeft ook niet, want U bent de alvaders
begin, maar ook de omen gaat einde, dus alles wat ertussen
is, is ook van U. U bent het al voor een niet,
De kracht in zwakte, het licht in de duisternis, de gerechtigheid
in de nacht der zonden. Gedenk familieleden veraf in
Nederland of dichtbij hier. Overal waar uw woord staat gepreekt
te worden, gedenk ook in de rouwdienst en uw eigen getuigenis, want
dat blijft. Want uw woord bestaat in eeuwigheid,
alles lees is gras, en zijn heerlijkheid is een bloem des vels, het gras
wat door de bloem valt af, het knakt. Maar uw woord bestaat in eeuwigheid,
zal in duimbreed wijken. Ach, verleen ons uw gunst, door
uw woord en geest ook dit avontuur, en dat uit vrije goedheid. om de Verdienste Christi te worden. Amen. Gelieden, dit gedeelte gaat over
de jeugd. En het hoort. Want we lezen waarmee er zal
de jongeling, nou de jongeling is vanaf de geboorte tot de adolescentie,
dus 12, 13 jaar zelfs, misschien wat ouder. Uw waarmede zal de jongeling
zijn pad te zuiver houden, als hij dat houdt naar Uw Woord. En vele mensen spreken wel over
het Woord, en dat is groot. Maar het houden naar het Woord,
dan is er van dat Woord kracht uitgegaan. Niet om te lezen, dan wordt u
gelezen. Dan gaat dat woord spreken door
uw ziel. Want mijn schapen horen mijn
stem. En ze volgen mij. Dan ga je horen wat je nog nooit
gehoord hebt. Dan hoor je de Heere spreken. Naar uw woord. Niet mijn woord
en mijn gedachten over het woord, maar naar uw woord. Uw vader is al te jong en zal
zijn pad zuiver houden, als hij dat houdt naar uw woord. Ik kom
er nog wel op terug. Toen was eerst nog een versje
zingen, daarvan 119, nu het sterke vers. We proberen altijd maar
die versen daarbij aan te passen gelijk. dat ook in de Statenverdaling
te vinden is. Zes vers. GEZANG O zaden, o vreselijke doen, leid
Je om in verdieping, in duwen, Zang en muziek In dat eerste vers vindt u een
vraag, waarmeede, dat wil zeggen, welk instrument waarmeede zal
de jongeling, een jonge man, een jong meisje, zijn pad zuiver
houden. En dan schreef hij een antwoord. Als zij dat houdt naar uw woord. En gemeente, daar wil ik dan
wat van zeggen, want wij zijn er allemaal bij groot gebracht
dat de Bijbel Gods woord is, maar ik heb eigenlijk een vraag
aan je. Dat vind je ook in dat tweede
vers. Heb jij dat ook bevonden, Gods
woord te zijn? Of om heel eenvoudig, dat is
niet zo moeilijk. Heeft God wel eens tot u gesproken? Door zijn Woord en Geest. Het is heel bijzonder als dat
gebeurt. Dan zit u alleen in de kerk. Vallen alle mensen weg. Gaat God kracht doen. in zijn
eigen woord. En geliefden als God één keer
tot u gesproken heeft uit dat woord, krijgt heel de Bijbel
Gods woord betekenis. En zegt u niet, ja, dat is Gods
woord, hebben mijn ouders geleerd op kategorisatie, dat ook goed. Maar u zegt, ik heb het van den
Heren gehoord. U vindt dat in de bereiding is
deze vers door het Goddelijk Woord een helder licht bevonden,
bevinding, de kracht ervan te kennen, afgezonden te zijn voor
en door het Woord God. En toen dat in mijn leven gebeurde,
mag ik getuigen, werd heel de Bijbel Gods woord. Verstond ik alles niet, vindt
u ook in dit gedeelte meditatie, innerlijke overdenking van dat
woord, noodzakelijk. Maar het was wel Gods woord. De Heere sprak, en wat hij zei,
dat heeft hij gedaan. Want bij Gods is geen verschil
tussen en doen. Hij sprak en het was er. Gebookt en hij en het stond er. Er zijn licht en er was licht. Bij ons is het woord vaak niet
de daad. U kunt heel wat beloven. U kunt heel wat zeggen en het
nooit houden. Maar de jongeling kan alleen
zijn pad zuiver houden. Als hij dat houdt naar het versproken
woord, dat kracht doet in zijn ziel. Ik moet nog verder gaan, want
wie is dit woord? Christus. Mijn schapen horen mijn stem
en ze volgen mij. Het is het levende woord. Dus als de Heer het doorgenade
in uw leven komt te werken, dan weet Hij uw weg zuiver te houden,
dat wil zeggen oprecht te houden door de kracht van zijn Geest. Dan ga je vervolgens anders naar
de kerk. Vroeger moest je, nu word je
nieuwsgierig. Ik heb weleens gezegd, krijg
je de kerkziekte. Nee, Als hij dat houdt naar uw woord,
als het woord van God en ik, dus het woord dat gesproken is, maar
ook de persoon. Als hij dat houdt naar de persoon,
dan het wordt wel een makend geloven in Christus. Want dan zegt u niet, ik moet
geloven. De scholf gaat spreken jongetje. Dan kan je niet anders dan geloven. Dan krijg je de kracht ervan
te kennen. Is te zacht, kunt u het wel verstaan? Als hij dat houdt, nou u hoort,
nou, ook zo mooi. Vroeger zei ik volk tegen, maar
de heren neemt altijd jonge soldaten in dienst. Het is waar, he? Als die heren vrees zijn, de
indruk, vaak in je jonge leven merkbaar. Als je op gezelschap gezeten
hebt, Je hebt de mensen horen spreken over de kracht van het
woord. Dit is waar he? Ik zeg niet dat die oude soldaten
ook herkenbaar zijn. We nemen jonge soldaten van geslacht
tot geslacht. Wordt naar onze dure plicht aan
zijn woord gedacht, zo zeg ik dat. Wel, dan gaat dat woord graag
doen. Dat is één. Als je het één keer gehoord hebt,
en ik ga dat nog maar niet weer zeggen, dan verlangt u om meer
te horen. Maak in uw woord de gang en trede
vast. Opdat ik mij niet van uw paan
mocht keren, Als zij dat houdt naar uw woord.
Dat is een tweede ding. Het staat houdt naar uw woord,
waarom zou dat dan zijn? Dat wordt nou altijd aangevallen. Het wordt, godverdomme, in je
leven altijd aangevallen. Het blijft leven, maar het wordt
wel aangevallen. God spreekt en de duivel zegt,
is het ook waar dat God gezegd heeft? Vaak niet de eerste week, ook
niet de eerste maand, soms ook niet het eerste jaar, maar dan
komt het. Dan hoe kan je het nou houden
als een woord? Als dat woord kraagt. Want Hij
is gisteren en heden dezelfde tot in alle eeuwigheid. Voelt u? Bent u ook weleens geplaagd door
die inwerpingen van Satan? Ja, mens, inbeelding. Niks van waar. Denk je dat uw grote God zich
met jou bemoeit? En weet u, daar komt vlees en
wereld bij. We zijn al te zeer geneven. Want het vlees onderwerpt zich
aan het woord of aan de wet gods niet en het kan ook niet. Ik heb altijd van binnen een
bondgenoot van de duim. Dat is vlees. Dat is uw natuurlijke
staat. Paulus zegt ervan in Romeinen
7, dat hebben we eens vaker gezegd, ik blijf maar zeggen. Ik ben
vleeslijk. Wie zal me verlossen? Ik dank
God, God zal het doen. Door Christus Jezus. Want Hij zal zijn alles en in
alle. En gemeente als dat dan in je
leven gebeurt, dan kunnen ze doen wat ze willen. Kunnen ze je uitschelden, als
de kracht ervan te vinden is in je leven, dan kun je zelfs
naar de brandstapel geleid worden, gelijk in de dagen van de reformatie. Maar je kunt het niet verlogener. Ik heb weleens gezegd, je kunt
me beter een klap in mijn gezicht geven, dan vastwoord verlogener. En dan in Valencien, maar ook
in Antwerpen beginnen ze te zingen als daar de eerste brandstapels
gaan branden voet. Dan klinkt het uit de ramen rond
de markt en zitten al die marktelaars, die beginnen God de eer te geven. Want ze kunnen dat woord Godstas
Christus niet verloven, want hij heeft hen niet verlogen. Dan houdt Hij u bij zijn Woord. Hij is zelf dat Woord. En wel, geliefde, als dat kracht
doet, dan ga je de God van dat Woord zoeken. De gemeenschap. Op je knieën. Lees maar. Ik zoek U met mijn
gehele hart. Dat is ook zo mooi, hè? Dan zoek
je hem niet half, maar helemaal, met je hele hart. Nou, waar is nou het hart? Hart is de plaats des geloofs. Met het hart gelooft men. Dus als je God gesproken hebt,
dan geloof je. Hoe aangevallen. En daar staat een hele hart. Ja maar Fredeke, toch jij dan? En dan in de hervormde kerk moet
je naar een vrijzinnige universiteit. In Groningen, zeven jaar. Ze hebben geprobeerd alle palen
van hun geloof door te steken. Ze zeiden tegen collega Roos,
Johan Spijk, we zaten in één collegebank. Je moet dat zondags
geloof maar terzijde leggen, hoor. Dat is niet zo. Ik kijk Wim aan. Hij kijkt mij aan. Is het jij
of ik? Is het jij dan maar? Ik zei professor. Dan kom je bij de tekst. Indien geniet wordt als de kinderen. gekundheid, koninkrijkheid, dat
zijn allemaal zonder schoolkindertjes. God's volk zijn kinderen. Die zonder onderwezen waren. Onder de prediking, de kracht
van de Geest. Op zijn mond houden. Zeg, ik hoop dat ik nooit groter
word dan een kindje. want hij zei laat de kindertjes
toch komen en verhindert ze niet, want ter zulke en je genoordt
als de kinder gekund het koninkrijk der hemelen geen zins in te gaan. Jongeling, van de geboorte tot
de adolesentie, En welgemeente, dan lees ik,
ik zoek u, ik zoek niet wat u zegt, maar wie u bent die het zegt. Mooi heet dat. Noorder van Oudeling. En hij
vond de prediking wel wat scherp. Hij zei, maar leraar, ze gingen
om mij heen. en zegt, het doet er wel toe
wie het zegt. Dus als God spreekt wilt u weten
wie dat gezegd heeft. Zoek u. Gemeela, bij God zoeken. Waarom? God heeft jou gezocht.
Er is een woord, er is een geest, En dan had hij het tweede ding
zeggen. Weer zo mooi, hè? Hij zegt, ik
zoek u met mijn hele hart. Dat is een belofte. Eerst, die
hebben we net gezien, een belofte van God, dan kan je het antwoorden.
Nu heb je weer een belofte. Gaat de kerk naar God wat beloven. Ik zoek u. Niet alleen beloven, ook doen.
Dat is de kracht van het geloof. Maar hij kent zijn zwakte. Dat
is echt godsvolk. Dat als de Heer er een ogenblikje
loslaat, weet je niet waar die blijft in dit stikkertje. Moet
je maar lezen. Laat mij van uw verboden niet
afdwalen, houd mij erbij, anders dwaal ik af, gelijk het verloren
schaam. U weet me wel te vinden, maar
toch. Laat me toch niet aan te wagen,
Heren. Laat me toch niet weilopen. Laat me toch niet op mijn eigen
wegen gaan. Laat dat toch niet toe in mijn
leven. Mijn tweede ding, en dat is altijd
moeilijk. In de schrift vindt die tweede
lijp een vel. van het woord in een verborgen
bevel. Die man zegt, als God me laat
dwalen, dwaar ik. Laat een heren mens weleens dwalen,
jongen. Niet verlaten, niet begeven,
wel eens dwalen. Weet je waarom? opdat daar zijn
verloren schaap in zijn armen terugkomt weer. Zeg Heer, U alleen! Want weet U wat het is met ons? Nou, we denken dat we bekeerd
zijn, kunnen we veel. Ga je nog echt bekeerd worden
tot God, dan word je bang voor jezelf. Het vlees voor de ruigste
is je eigen bestaan. Laat me toch niet auto halen,
heren. Hou me toch tegen. Laat me toch niet weg lopen,
heren. Hou me toch tegen. Ik wil u dienen met mijn hart,
maar och, heren. Vandaag is het zo, morgen loopt
het misschien wel. Laat me toch niet auto halen. Kijk, dat is echt dit wel. Die zegt niet, ik kan het en
ik weet het en ik doe het. Ja, ik heb die wel gezegd, ja
ja. Maar hij kent zijn zwakte. En hij is tot hinken en tot schinken
elk ogenblik geneigd. Mensen, deze persoon dichter
een kind van God. Sommigen zeggen het zijn David,
ik weet dat niet. Anderen hebben gezegd in de jonge
man in de tijd van de Maccabee, ik laat dat allemaal liggen. Er staat ook in Geelderijk boven
dat het van David is. Maar deze man kent zichzelf. Ik geloof dat God door zijn woord
tot je gaat spreken, krijg je ook zelfkennis. Dan krijg je
Gods kennis. Dan krijg je zelfkennis. Dan ga je de duisternis zien
van je eigen bestaan in het licht van zijn aanscheen. Weet je bij welke kerk je hoort
dan? Dat doe ik, ik hou niet van zulke prijken, dat moet je
zelf weten. Weet je hoe die kerk heet? De
Och en Moch Kerk. Och heer, laat me niet wachten. Hou me zo vast. Ik loop zo weg, terwijl ik beter
weet. Paulus, laat ik zeggen, Peters,
hoe verraden die dan eer, he? Maar ik heb voor u gebeden dat
uw geloof niet ophoudt. God hield hem vast. Hij had al voor hem gebeden voordat
hij afzwaaide. Kijk, dat is goed. Dus heel veel mensen zeggen,
moet je je best doen. En ik zeg, ja, je doet wel je best, maar
kom niet vertrek met je best doen. Die man die wist het. Gods volk weet. Ze zijn het ene
ogenblik in het licht, het volgende ogenblik in het donker. Kan!
Niet altijd, nee, niet altijd. En dan roepen ze, heren, zoek
me toch op. Ik ben weggelopen. Ik heb me verslingerd aan de
lusten en het vermaak van de wereld, geldgoed en eer. Ik heb de mam ongediend. Ik heb de satan geleid gegeven
in het strijdperk. Toen hij zei, is dat Gods woord?
En weet je waarom? Nou, praktisch. Als de Heer ons
wat belooft en het duurt een jaar, dan denk je, zou het wel
waar zijn. Laat mij toch niet afdwalen,
Heer. Hou me toch vast. Dus, geloof in beleidiging, geloof
in aanvechting, en Gods trouw. Dan moet ik een vrijheid hebben.
die van mijn trouw. Er is gisteren en heden dezelfde,
tot in alle eeuwigheid. Nou, dan krijg je weer het volgende,
ik heb uw reden in mijn hart bewaard. Nou, wat is het hart eigenlijk? Het is moeilijk, maar ik zal
het proberen. Ik heb het al eerder behandeld. Het hart is het middelpunt van
de mens, de lef. Wij zeggen in het Nederlands
lef. Het hart is lef. Het middelpunt. Geloof je met je verstand? Nee. Geloof je met je hart? Ja. Dus heb wat God tot u gesproken
heeft in het geloof in uw hart weggelegd. Daar ligt het. God weggelegd. En blijft er liggen. Gisteren is soms weer vandaag. Blijft liggen. Hoe ook aangevallen. Zou je durven ontkennen? Nee. Nee. Heb je er al te kracht uit? Moest eens weten. Ik heb uw reden, uw woord in
mijn hart weggelegd als een schat. Uit het hart breng ik voort oude
en nieuwe dingen. De schat des harts, wie is dat? Je woont in het hart. Hoop dat ik tegen jullie niet
zou zondigen. Gemeenten, dat is absoluut waar,
hè? Als je naar de Heere vreest,
dan heb je gesproken, en dat woord is in je hart. En Satan zegt, dat is niet zo,
op de wereld trekt ze. had dat hart mopperen. Ik zei,
ik zei, ik begon ervan te zweten toen verkeerde dingen gebeurden. Had je geweten protesteren? Heb je niet veel rust meer? Heb je niet veel rust meer? Kan
je soms niet meer slapen. Opdat ik mij niet van uw geboden
zou keren. Van uw inzetting. Afkeren. Heren, ik heb uw reden in mijn
hart geborgen. Een geheime plek. Ik geloof zelfs, ja ik weet het
zelfs zeker. Ik heb mensen wel ontmoet die
de Heere Vrede maar nooit spraken. Maar ik wist, in haar hart was
het een geheime Christus. Zo. Dat was mijn schat. Meer dan
allerlei doel van de wereld. Opdat ik niet zou zondigen. Want die schat gaat mijn leven
bepalen. Een geweten, een gevoel, een
kennis. Mensen, terwijl ik dit breek,
krijg ik mezelf terug. Versta je me? Krijg ik mezelf terug. Vaak ben ik verleid. Dan kom ik bij iets heel moois
en dat wil ik dan toch maar zeggen. Dat is een wettisch brouw, dat
gaat vooral van de kennisse Christi. Dat is de wet. Dat is ook evangelisch
brouw. Als je de liefde geproefd hebt
en je wijkt van hem af, ga je huilen van binnen. Een beterse
man. Peter zal uitgaan, binnen de
pittige. Och, Heer. En weet je wat hij
dan hoort? Ik heb voor u gebeden. En toen heeft de Heer zijn hoofd
niet van hem afgewend, hè. Wij zouden zeker met die man
niets meer te maken hebben, lelijke kerel. Maar de Heer draait naar hem
toe en hij kijkt hem aan. Hij zegt mij, Peter, Ik heb u
toch gezegd. Ik heb ook voor u gebeden. Gemeente, hij had iets vreemds
zeggen, veel mensen kunnen niet uitstaan. De genade ging voor de zonde. Het gebed van Christus voor de
vuile daad van Peter zijn meester te verloven. Want hij weet, wat maaksel u
bent, hoor. Je kan je eigen wel tegenvallen,
maar God niet hoor. Gedachte dat je stof bent. Stof. Vijandenstof. Nou ja, voelt u wel, dan kom ik bij dat
vijfde deel van het kalvinisme, dat is de volharding der huidig. Heel veel mensen tegenwoordig
zeggen, Maar God houdt het vol met jou,
dat is de belading. En laat niet vader de werken
zijne, han toch niet door. Ja, maar hij heeft me bevergeten
en verlacht. Nee hoor, ik kan u, ik heb u in mijn handpalmen
gescribeerd en uw muren zijn bestendig voor me. Ik kom hier vanavond niet een
mens spreken die goede gedachten en goede dingen doet, nee hoor. Heel wat belooft nooit betaalt,
hij betaalt. En wat hij zegt, kom ik weer
bij het woord God, dat doet hij ook. Hij zal het volvoeren tot de
jongste dag toe. Welgeleen. Heere, gij zijt gezegend. Leer mij uw inzettingen. Nu weer zo mooi, hè? Zeven, en dat woordje zeven zijn
knieën. Berg. Dus wat is nou als je God gaat
zeven, en dan ga je voor hem bukken? En dan heb je één begeerte
hem te dienen. Kruip. En heren, leer me dan hoe ik
wandelen moet met mijn inzetting. Uw inzetting, kom ik al op. Maar laten we eerst nog zingen
van het 19e verset, van het 19e verset. Anderen al de rechten van uw
mond, zodat het verder komt. MUZIEK. de wereld loopt. Heer, je ziet het, kom op. Ik heb met mijn lippen verteld
al de resten van uw mond. Dat is ook weer een schone, wonderschone
uitdrukking. Het gaat dus over het recht van
God hier, de rechten van uw mond. Dat zijn de inzettingen. Dat vindt u ook he? Heere gij zijt gezegend, leer
mij uw inzettingen. Wat zijn nou de inzettingen?
Eén belangrijke ding en dat is wezenlijk voor heel de ware religie
is offer. Het offer is plaatsvervanging. In het Engels zeggen we substitution. En wat is nou het offer? Een
doodschuldige zondag van het volk wordt vrijgesproken, omdat
hun zalig maken verdoemd wordt. Nou, ik heb een paar dingen van
hem zeggen. In de eerste plaats, u kunt het nooit voldoen. Abraham moest zijn zoon offeren,
maar hij dacht, dat gaat niet. Want hoe kan een zonder voor
een zonder betalen? Dat kan niet. Dat kan niet. Dus wie kan alleen betalen voor
een zonder? Hij die geen zonde heeft gehaald,
nog gedaan, dat is Christus. de man God. En dat hij nou mijn plek wil
innemen, zo'n moordenaar, ongelooflijk met betijden. Dat hij zei, geef mij uw zonde,
krijgt u mijn gerechtigheid. Geen nagelschrapje kunt u eraan
doen, hoeft ook niet. Het is door U, door U, alleen
om het eeuwige welbehagen. En als dat in je leven gebeurt,
blijft er een groot wonder over. Ik moet zeggen, dan krijg je
een vreugde in je hart, een vreugde in God. Nou, we hebben nooit
te danken. Het is de blijdschap des Geestes, die het hart zeer
verheugt. Dan krijg je een vrede die alle
verstanden boven gaat. Dan ga je de liefde proeven,
die heb je nog nooit geproefd. Goddelijke liefde, Christus. En zal ik je wat vertellen? Dan kan je ook niet zwijgen. Dan zijn we die mensen die zeggen,
ja maar daar kan ik niet over praten, dat begrijp ik wel. Dat
wonder is te groot, dat kan he. Maar op de pinkste dag praten
ze allemaal he. Waarom? Door de geest gelijk. En waar spraken ze ook, over
de grootte werken gods. De geest maakt hem waardig. Verkeert u en gelooft het de
evangelie en gezondte gaven des geestes ontvangt. De derde persoon
van het goddelijke wezen dat profiteert. Nou dan ga je erover spreken. En als je dan moeder bent en
je hebt kleine kinderen en zei je Jantje. Kom eens bij me hoe op schoot
zit ik moet je wat vertellen. God heeft grote dingen gedaan. En niet alleen kleine kinderen,
maar ook kinderen van veertig of vijftig jaar. Dan hoop je altijd op een ogenblikje
daar ook een woordje van te hebben. En daar zit je vol mee. En je lippen. Dan heb je het woord gehoord
en dan ga je het woord spreken. Dat is Christus. Hij vangstkreeg. De kreeg die
zwaai. Zo de zwaai. Inzetting. Diems van de Offerhanden. De zuivere leer van de vrede,
genade, soeverein, welbehaagd. Uitpraten, mis, overpraten, net
wat. Uitpraten. En als er op aankomt moet ik
hij toch niet zwijgen. En hij zwijgt, hij heeft geen
beste nacht. Hij moet nog verlogen. Ik heb met mijn lippen verteld
al de rechten van uw mondes, het woord is Christus, het goddelijke
recht, het taaltrecht, het verzoend recht. Ik ben vrolijker in de weg van
uw getuigenis, dan over alle rijkdom nou. Kijk als hij je alles hoort wordt
de resten niks. Geef mij de heer Jezus of ik
sta. Buiten hem is geen eeuw. Ik zal je wel zeggen, dan zit
je zaak en je bedrijf en je centen zitten je weleens in de weg. Tenminste mij. Dan denk ik, o,
daar is die oude stomper weer mee bezig, die oude stomper. Mijn vrouw, God vroeg, zei iemand even, ik
was ergens in een kerkje, toen zei iemand, dan word je vrolijk
tegen een kind van hulp en ik zei, nee, nee, nee, nee, nee,
nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee,
nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee,
nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee,
nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee,
nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee,
nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, Want een ronde wereld kan een
driehoekig hart niet vullen. Nee hoor. Nou eerlijk. Nou eerlijk. U en ik, eerlijk. Waar ben je nou altijd mee bezig?
Nou eerlijk. Of ik, zal u niet eens noemen. Zou toch veel beter wezen dan
ik ben. hoe m'n zaak hier loopt en hoe m'n bankrekening is. Ach heren, verlost me van mezelf
het toch. Ja, ik kan dat nou wel zeggen,
maar ik zit er. Ach mensen, een mens loopt toch
helemaal in de knoop. Een kind van homo, dan loop je
toch in de knoop. Ben je met je eigen toch geen
raak meer? Toch niet weer? Dat vuile ik, dat vuile van je
omgeving, vuile begin. Maar hier staat wat anders. Die man spreekt uit de macht
en uit de kracht des geloofs. Ik ben vrolijker over dat opper
van Christus dan over alles schattigende werk. Nou leg ik het maar naast je
hard. Eerlijk gezegd. Ja, ik hoop het,
dominee. Nee, je staat niet, ik hoop het. Hij zei, ik ben het. Tegenwoordig eigenlijk een beetje
twijfelend ben ik. Je kunt de meeste mensen erbij
maar ze misrekenen zich. Hij nou maar zegt, ja, je hoeft
het niet zeker te weten pas je bij de grote massa hebt. Maar wie je gewendheid mag weten. Hij zei, hoogmoed, hoogmoed. Niet waar. Die, die, die. Daarover alle rijkdom. Nou, dan
gaat hij zijn bevelen overdenken, dat is weer mooi. Ik weet niet
of u weet wat de barbara daarmee bedoelt. De emmerschangers overdachten
hun weg. En alles wat in Jeruzalem, er
staat een heel mooi woord, Antibalo. Ze gooien het van de ene kant
naar de andere kant en zeggen, hoe zit dat toch? Als je nou de Heerde gaat schreeuwen,
dan ga je mediteren, dan gaat het van de ene kant naar de andere. Zeg Heer, hoe is het toch? Kan
er niet bij, weet je. Meditatie, en als u echt mediteert
en de Heer opent de deur, u eindigt het in de hemel. De meditatio, overdenking van
het eeuwige leven. U bevelen het overdenken. En dan ga je op de paden die
God met je houdt, uw paden. Mediteren, die paden van de Heer,
staat er toch? Dan ga je ook letten. Dus, ja, hoe is het nou, hè? Ja, zo is het. Ja, maar... Ik moet dat weten. Hoe is dat
nou, heren? Hoe is dat nou? En als de Heer
nou wat voor je gaat spreken, ga je op de weg letten die God
met je houdt. Dat de Heer een antwoord geeft. Het is heel mooi, er staat niet
wegen, maar paden. God gaat paden. Borstel schrijft een mooi boekje,
hè? Het kromme in het levenslot zijn
paden. Hoe is het dan? Hoe moet het dan? He, hoe moet het dan? Ligt u
straks wakker, he? Mediteren, gooi het van de ene
kant, gooi het naar de andere kant. Dus mediteren, dat is van de
ene kant naar de andere kant gooien. En de Heer is meekomlicht. En
dan ga je ook letten wat God dan doet in je leven. Want kijk, Hij toont zichzelf
in de leiding van je leven. Dan ga je als leiding zien, het
smalle pad, de nauwe poort, het afsterven van het ik, het heensterven
naar God. Op Uw paden, vind ik ook zo mooi,
hè? Het zijn eigenlijk niet eens mijn paden, hè? Uw paden. Wandel op Uw paden. Die gij gebarenten, dwart door
alles heen. En ik zal mij vermaken in Uw
inzettingen. Dan is zondag niet een lastige
dag. Nee. Och, Heer, help me toch. Verlaat
me niet al te zeer. Zondag een mooie dag. Dan zit
je onder de prediking en dan vermaak je je in de inzettingen
Gods. Ik weet wel dat mijn vader weer
is vertrokken. En als nou ten ere doorgenade
de prediking zijn woord trok, begon de man te huilen. En dan dacht ik, ach heren, mag
ik nou ook u dienen zoals mijn vader het deed. Jokie hè, jokie. Eerste indruk. Maar dan draaide vader om, want
er zat nog een ex-ouderling en een ex-diake. Dan keken ze mekaar
even aan met getraande ogen. En dan begrepen ze mekaar de
Padegods. Dat is een vreugde. Ik zie mijn vader weer terug. Zondag was voor die man de mooiste
dag. Hij hoopte dat mijn moeder maar
nooit, maar niet zoveel naar de kerk kwam als ze weleens ziek
was. De ouders ook niet geweest. Ja, dat is waar. Voor hem was de Sabbatdag een
wondere dag. Het Woord van God. Dat trok hem. En toen gingen
we allemaal nog lopen naar de kerk, he. Allemaal weer veranderd.
Ik zie me nog lopen door die grote bladeren met de herfst. Vader, we hadden zes kinderen.
We hadden hier een paar vrienden. Toen we die avonden weer kregen
met de predikant. Mijn vader was een vriend van
mijn vader. En dan telden wij eigenlijk even
niet meer mee. Maar dan had hij met Van der
Weerd sprake over de paal. Ik liep maar een beetje mee te
lusten. Nou, dan waren ze bij ons thuis.
En dan zei Van der Weerd, mijne loopt nog eens even met mijn
stukje mee. We hebben nog niet uitgepraat, hè. Soms heb ik dus wel drie keer
het stukje. Kijk. met je wonder dat je nog
zo'n opvoeding hebt gehad. Dat het niet een sleur in de
plichtgang is, maar een lust en liefdesgang. Ja, daar word je vrolijk van. Heb mij meer vreugde in mijn
hart gegeven dan tenzij je dat hem mocht. En wij mij nog vuldig waren,
jij hebt mij meer vreugde in mijn hart gegeven. Mensen, oh
wat kan een mens ver weg zijn. Maar God is dezelfde. Maar kan niet meegesleurd zijn. Maar God is dezelfde. En uw woord zal ik niet vergeten. Zo mooi he? Kan u niet vergeten. Hoe ver het ook gaat, is een
futurum, zal niet. Toekomende tijd. Het ligt als
een schat in mijn hart. Ik loop in Gorkum in het ziekenhuis. En er liep een vrouwtje, ik denk
dat mens dat weet meer. Ik weet toch niet, ik ben toch
een raar mens die Dominique van Groningen heeft. Ik zeg, kind hoe is het? Ze zegt, Dominique, ik heb een
buibeltje in mijn hart. Ik zeg, ik ook. Maar wat is dat inderdaad? God versproken. Ze vloog niet zo hoog. Meest laag. Dat is eigenlijk
het beste, he? Laag. Godhoog, he? Die wijn. Nou, en weet je wat er nog staat? En uw woord staat niet vergeten.
Waar begint het bij jonge mensen, de eerste indrukken? Misschien je moeder thuis vroeger. Klopt zeker jongen, klopt eigenlijk
zeker. Klopt zeker en je moeder thuis,
hoe kan ze niet zwijgen, hoe weet ik het eigenlijk. De eerste indrukken in je leven,
jonge leeftijd wijzen. Dan zie je godsvolk als bomen
wandelen. Het zag ook naar beneden toe,
ik herinner het niet. Nou en dan blijft het, het staat
er. Dat vind ik zo mooi van deze plan. Weer, dat is niet een ketting. Dat zijn niet ringen aan mekaar,
dat zijn eigenlijk allemaal schatten. We hebben vorige keer gesproken
over de rechter gods. Nou hier zie je weer de jongeling.
Waar reeds in heel jeugdige leeftijd God kan beginnen te werken, ja. Heel jeugdig. En dan eindigt
het in dit korte stukje. En die woord zal ik niet vergeten,
zal ik. Maar het gaat alles tegen hier
van deze. Uw woordzegg niet vergeten. Verstand laat zelfs na de grond
van het wel doen op te merken. Maar verstand helpt ook niet.
Maar, maar, maar. Wel liefde vrienden, we gaan
maar weer naar huis. Het gaat erover welk huis. In
een week wordt Inge begraven denk ik. Sterven en afsterven, je hoofdverschil. Straks het volle woord. En nooit meer vlees. Nooit meer
verdachten, daar wil niet meer aan vallen. Eeuwige vreugde of
zal, eeuwige zin van Gods. Goedemiddag. Alheren, we mochten de ogenblikken
uit uw lief en diebe woordbaar ogen verlenen ons tot de krachten,
dat we niet ijdel praten en met verstand omgaan dat geen weldoe
meer opmerkt. Maar alheren, mag er nog een
blijkje van uw goedheid wezen voor een slechte, dat U verlaat,
dagen zonder getouw. Mijn oud-eeuwige wonder, U verlaat
niet. Ik heb U in mijn beide aanvallen
geweten. De muren zijn bestendig voor
U. En dan zegt ik, ik zal tot een
ere zijn, mijn toevlucht en mijn borst, maar God op welke ik vertrouw. En zo is het. Verzoen het onze heilige Due,
en dat alleen om Christus' wil, uitgenade gedenk rauwdragende
van de vriend. Moet ik weer een mannenstorm. Die dingen waarop andere, waarin
die zwaar gewond zijn. En dat de wond van het hart meer
pijn doet dan alle andere wonden. Maar gereis Heren, door uw wonden,
want door uw striemen is Gods volk gezegend. Uitgenade. Amen. Wij zingen tot slot nu weer acht
versjes. Nog steeds dat tweede deel van
Psalm 119. En we hopen voort te gaan met
de volgende delen, zo God het nog geeft. Want we zijn maar
mensen van een dagje. Een overblikje. Nu 119 vers 8. Ik zal over de eeuwen in onderzoek van uw leden wekken. Zet mij opzij dan uren en honden, van de juwelen. Luide en goed vervelende lachten
zetten We eindigen met de zegebeden. O Vader, dat U lief ons blijft. O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk. O Geest, zend U het troost ons
neer. Driene God, U zijn al de eer. Amen.
Psalm 119 (2): Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden?
Series De Psalmen
Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
| Sermon ID | 1022418425636 |
| Duration | 1:09:54 |
| Date | |
| Category | Midweek Service |
| Bible Text | Psalm 119:9-16 |
| Language | Dutch |
Documents
Add a Comment
Comments
No Comments
© Copyright
2026 SermonAudio.